Jonathan en de lezende vrouw

Voor bestsellerauteur Jonathan Franzen loopt het onderscheid tussen hoge en lage cultuur parallel met de scheidslijn der seksen, schrijft Corine Vloet in haar tweewekelijkse column.

Het was Hoge Kunst versus populistisch tv-vermaak, de literaire eenling versus mediacorporaties en commercie, kortom, een ware titanenstrijd waarin de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen de afgelopen maanden onbedoeld verzeild raakte. Franzen, die deze week Nederland bezocht, veroorzaakte een literaire rel zonder weerga toen zijn nieuwe roman, de veelgeprezen bestseller De correcties, werd uitverkoren tot Boek van de Maand door talkshowpresentatrice Oprah Winfrey. De rel, die heel wat anders verliep dan de Nederlandse media nu suggereren (`Hij zei nee tegen Oprah Winfrey', schreef bijvoorbeeld VN), ging natuurlijk niet echt over Oprah, dat zou volslagen oninteressant zijn, maar legde een aantal pijnlijke vooroordelen bloot over highbrow en lowbrow, en het vermeende bijbehorende publiek.

Wat was er aan de hand? Franzen accepteerde Oprahs uitnodiging om in haar programma te verschijnen, werd voorbereidend gefilmd, en zijn opgetogen uitgever liet 680.000 exemplaren van de roman bijdrukken, met Oprah-logo. Maar eigenlijk geneerde de schrijver zich er niet zo'n beetje voor om geassocieerd te worden met de uncoole Oprah's Book Club.

Vluchtsimulator

En dat liet hij merken ook, interview na interview. ,,I'm solidly in the high-art literary tradition'', verklaarde hij, terwijl Oprah toch vooral `sentimentele, eendimensionale boeken' uitkoos. Voor de radio legde hij uit: ,,Lezen in dit land wordt vooral gedaan door vrouwen, terwijl de mannen golf spelen of naar voetbal op tv kijken, of aan het spelen zijn met hun vluchtsimulator of zo. Ik ben bang dat eh ik hoopte er eigenlijk op een mannelijk publiek te bereiken.'' Zo ging het maar door, totdat Oprah haar uitnodiging introk. Waarop Franzen zich `geschokt' verklaarde, een excuusbrief schreef, en opnieuw door een reeks interviews blunderde waarin hij zich uitputte in kruiperige verontschuldigingen.

Ach, had Franzen Oprahs uitnodiging maar werkelijk afgewezen, dan was hij in één klap de held van literair Amerika geworden. Had hij het bij een paar beledigingen gelaten en er vervolgens het zwijgen toegedaan, dan was er ook geen man overboord geweest. Het was niet zozeer Franzens elitisme waar de voltallige Amerikaanse pers, collega-schrijvers en uitgevers over vielen. Maar zijn hypocriete, halfhartige excuses, zijn gebrek aan subtiliteit, aan sophistication, aan hoffelijkheid het was van een domheid die moeilijk te rijmen viel met de `high-art literary tradition'.

Goed, het valt natuurlijk niet mee om zeven jaar lang in alle eenzaamheid in een donkere kamer, met oordopjes in, en voortgedreven door een verzengende ambitie aan je Grote Amerikaanse Roman te werken, om dan te moeten toezien hoe die verwordt tot een voor massaconsumptie geschikt product. Maar als Franzen zo overtuigd was van zijn eigen literaire en intellectuele merites, dan had het hem toch niets hoeven uitmaken om bij Oprah zijn ideeën uiteen te komen zetten? Hij leek de talkshow op te vatten als een regelrechte bedreiging voor de literaire geloofwaardigheid van zijn roman, alsof Oprah zuiver door er haar goedkeuring aan te verlenen, een literair meesterwerk zou kunnen degraderen tot mainstream lectuur. Zo'n literaire smetvrees getuigt niet alleen van een diepe onzekerheid, maar ook van een tamelijk ouderwetse opvatting van het onderscheid tussen hoge en lage kunst, vermengd met een al te moderne twijfel over waar de grens ligt tussen deze categorieën.

Wel lijkt het erop dat voor Franzen de grens tussen highbrow en lowbrow ruwweg loopt langs de scheidslijnen tussen de seksen. Dat verklaart ook waarom de enorm veel grotere lezerskring die Oprah's Book Club hem bood, er niet toe deed. Als honderdduizenden verveelde huisvrouwen Franzens roman lezen en kunnen waarderen, wat zegt dat dan wel niet over de artistieke kwaliteit ervan? Maakt niet uit dat al sinds de opkomst van de roman, in de vroege achttiende eeuw, het lezerspubliek voor het grootste deel bestaat uit vrouwen; Franzen zoekt liever de waardering van het kleine groepje blanke, intellectuele mannen in de high-art traditie, van de jongens die liever met hun vluchtsimulator spelen. Het ging Franzen immers om dat andere jongensspelletje, de Grote Amerikaanse Roman. En in de eeuwige competitie van wie de Grootste kan produceren spelen vrouwen nu eenmaal geen rol.

`Nigger'

Hoeveel Van Dales zou de Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname al hebben verzameld om in het openbaar te verbranden? Het kunnnen er nog heel wat meer worden dan de 52 van de laatste telling, nu de Stichting heeft besloten om `uit respect voor het koningshuis' de op 2 februari geplande boekverbranding op de Amsterdamse Dam voorlopig even uit te stellen.

De Stichting kwam onlangs met de hilarische eis het lemma `neger' uit de Van Dale te verwijderen, vanwege de historische, racistische connotaties van het woord. Dreigen met een openbare boekverbranding leek de Stichting, blijkbaar behept met een selectief historisch besef, het beste middel om haar eis kracht bij te zetten. Waarom ook niet, moeten ze hebben gedacht. Nog maar een paar jaar geleden ging heel Nederland gedwee over op de tussen-n, toen een paar taalkundigen dat voorschreven. Schrap het woord `neger' uit het woordenboek, en het zal spoorslags verdwijnen uit het dagelijks taalgebruik: weg racisme, weg geschiedenis!

Maar het bange vermoeden rijst dat met de Van Dale het werk van de Stichting nog niet is gedaan. Afgelopen dinsdag verscheen in de Verenigde Staten het boek Nigger. The Strange Career of a Troublesome Word (Pantheon) van de Afro-Amerikaanse Harvard-professor Randall Kennedy. In Amerika ligt het woord `nigger', vooral vanwege de nog relatief recente, schrijnende strijd voor burgerrechten, nog vele malen gevoeliger dan `neger' hier. Terwijl het onder Afro-Amerikanen in zwang is als een vriendschappelijke term, kan het anderen die het gebruiken komen te staan op ontslag, een rechtszaak of, in het ongunstigste geval, geweld, moord en doodslag. Juist in dit culturele klimaat bepleit Kennedy het omarmen van het taboewoord `nigger', als beste manier om de racistische, beledigende lading ervan weg te nemen.

Er valt wel iets voor te zeggen: waar de Stichting Eer en Herstel zich afhankelijk maakt van de goodwill van lexicografen en overheid, en een algehele omslag in het Nederlandse taalgebruik, neemt Kennedy het initiatief en de verantwoordelijkheid in eigen handen (en alleen al daarom heeft zijn benadering weinig kans van slagen in Nederland), simpelweg met de weigering om zich te laten kwetsen door een woord.

Kennedy moet dan alleen nog wel de rest van Amerika mee zien te krijgen: bij zijn eigen, overwegend blanke, uitgeverij veroorzaakte het boek al zoveel zenuwachtigheid dat zijn redacteuren de titel ervan weigerden uit te spreken.