Géén burqa

V orige week vrijdag trof mij in de Volkskrant een bericht dat als volgt begon: ``Zijn partij heeft een islamitische fractiemedewerkster wier gezicht nog net niet helemáál is bedekt door een hoofddoek. `Maar het is géén burqa', zegt de Haagse PvdA-wethouder Heijnen. Op het stadsdeelkantoor loopt het Marokkaanse filiaalhoofd van de bibliotheek eveneens rond met een hoofddoekje. En op het stadhuis zijn vrouwen met een zwart gewaad achter de balie ook heel normaal. Wie is Pierre Heijnen (48), Haags wethouder van Onderwijs, dan wel helemaal om te verbieden dat op een van zijn basisscholen islamitische kinderen een hoofddoekje in de klas dragen.''

Er was een openbare basisschool in Den Haag die het dragen van hoofddoekjes verbood, maar wethouder Heijnen heeft ervoor gezorgd dat het verbod werd opgeheven. De wethouder: ``Als een meerderheid van de ouders vindt dat een hoofddoekje in de klas mag, dan moet je dat accepteren.''

Omstreeks 1970 maakte ik een reis die via een aantal Oostbloklanden naar Turkije leidde. Het was, naar ik me meen te herinneren, in het Topkapimuseum dat de gids, een jonge vrouw in mantelpak en met loshangend donker haar, wees op een foto van Atatürk. Aan hem, vertelde ze, heb ik de vrijheid te danken om me zo te kleden, en ze wees daarbij op zichzelf. Hij heeft, vertelde ze verder, de fez voor mannen en de hoofddoek voor vrouwen afgeschaft. Aanvankelijk was daar verzet tegen, maar inmiddels is iedereen er gelukkig mee. Dat was dus een jaar of dertig geleden. Sedertdien zijn talloze inwoners van het Turkse Staphorst in Istanboel en Den Haag neergestreken.

Op grond van deze ervaring vind ik het wonderlijk dat de hoofddoekjesbepleiters een klacht hadden ingediend bij de Commissie voor Gelijke Behandeling. Dat hoofddoekje is namelijk niet zo maar een lullig lapje, wat overigens door de school zelf wel wordt gesuggereerd waar wordt gemeld dat ook andere hoofddeksels zoals petjes er uit den boze zijn. Wat zou mijn allercharmantste Topkapigids boos worden om zo'n banale vergelijking. Hoofddoekjes zijn bedoeld om meisjes op hun ondergeschikte plek te wijzen. Omdat een openbare school de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen dient na te streven, horen die dingen daar niet thuis.

Ter rechtvaardiging van zijn optreden wijst de wethouder erop dat allerlei functionarissen bij de gemeente een hoofddoek dragen; dan kun je dat op school toch niet verbieden. Daarbij wordt voor het gemak vergeten dat je van volwassenen mag hopen dat ze daar niet toe worden gedwongen. Maar kinderen moeten dat omdat de ouders dat willen of door sociale controle daartoe worden gedwongen. Zo vertellen kinderen in hetzelfde artikel voor hoer te worden uitgescholden door hun geloofsgenootjes die wel zo'n ding omhebben.

In bepaalde kringen wordt de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen niet onderschreven. Die kringen hebben het recht eigen scholen te stichten, inclusief hoofddoekjes en andere religieuze uitingen. Daar mogen ze, net zoals vroeger op mijn katholieke school, de kindertjes leren dat de vrouw tot taak heeft de man te dienen. Dat viel achteraf overigens vies tegen.

Islamitische ouders die hun kinderen naar een openbare school sturen, moeten gevrijwaard worden van de morele druk van fundamentalistische geloofsgenoten. Als de discussie van de laatste maanden over de islam iets heeft geleerd dan is het wel dat we er ernstig in tekort zijn geschoten de liberale krachten in die kringen te steunen. Door toe te staan dat het openbaar onderwijs wordt gefundamentaliseerd, doen we het tegendeel. Wie ben ik om dat te verbieden, vraagt de wethouder zich retorisch af. Het antwoord is simpel: verantwoordelijk voor OPENBAAR onderwijs.

`Maar het is géén burqa.' Moet Heijnen mij toch eens uitleggen wat principieel gezien het verschil is.

prick@nrc.nl