Een oude IBM

Wie tegenwoordig een duurzaam gebruiksvoorwerp koopt moet, behalve de prijs van het aangeschafte, een `verwijderingsbijdrage' betalen. Is dat een soort statiegeld? Krijg je dat bedrag terug als je na tien jaar je wasmachine weer naar de winkel brengt? Ik vroeg het hier en daar op onze redactie. Iedereen had er wel eens van gehoord; niemand kon het duidelijk uitleggen. Misschien breng ik dit stukje tot een goed einde zonder precies te weten wat een verwijderingsbijdrage is.

Ongeveer vijftien jaar geleden had ik de laatste mechanische schrijfmachine op straat, bestemd voor de vuilnisman, gezien. Dat was op West Street in Manhattan. Ik maakte er een foto van, met de Twin Towers als achtergrond. Dat is dus tweemaal een historische foto geworden. Nu, twee weken geleden, ergens in Amsterdam Zuid, kwam ik een elektrische IBM met het beroemde bolletje tegen. Ik heb nog wel een fototoestel, maar dat doet het niet meer. Het volautomatisch inwendige is kapot. Reparatie kost meer dan een nieuw, en eigenlijk wil ik een digitaal, maar ik ben bang dat ik dan mijn hele harde schijf vol kiek. Kortom, gezeur waarmee ik u niet lastig val.

Ik hurkte bij de IBM, klapte het dekseltje open. Het bolletje was nog in goede staat. Zou ik haar meenemen? Maar waarheen? Zo'n ding is bovendien loodzwaar. De bijzondere linten zijn bijna nergens meer te koop. Deze IBM is dus door de verwerkingsindustrie inmiddels geplet tot een dobbelsteentje van 1 kubieke centimeter.

Je kunt een geschiedenis van de consumptiemaatschappij samenstellen door met enige regelmaat foto's te maken van de apparaten die op de stoep worden gezet, te vondeling gelegd. Toen de computer het huishouden bereikte, zag je nog veel apparatuur met bewegende delen: wasmachines met grote wielen in het inwendige, mechanische schrijfmachines, ijskasten met een gemakkelijk uitschroefbare motor. Intussen is het alweer een poosje geleden dat de eerste computergestuurde machines de vuilnisman bereikten. Deze IBM is een grote uitzondering. We hebben ons omringd met automaten waarvan we de werking niet meer begrijpen, laat staan dat we ze zouden kunnen repareren.

Een paar maanden geleden kreeg ik een paar bestanddelen uit het inwendige van een computer cadeau. `Onderdelen' kun je die voorwerpen niet meer noemen. Bij onderdelen denk je aan zuigers, cilinders, lagers, een krukas. Dit zijn kleine platen van hard plastic waarop zeer fijne bedrading is gedrukt, verbindingen tussen kleine en nog kleinere doosjes, zwart, geel, zilver. Het geheel lijkt in de verste verte niet meer op een machine; eerder ziet het eruit als het miniatuur van een groot regeringscentrum, de rechthoekige paleizen van de bureaucratie in een hermetische dictatuur.

Je moet zo'n computerdeel behandelen zoals je dat vroeger met je speelgoedautootjes deed: bekijken vanuit een hoek waardoor het lijkt alsof ze `echt' zijn. Daar staat dan een geweldig zwart, vierkant ministerie van Algemene Zaken, omgeven door kleinere gebouwen die uitkijken op een met wiskundige regelmaat aangelegde tuin. De gewassen groeien er in het gelid. Er zijn kazernes voor de bewaking, en er is een vervaarlijke toegangspoort. Het geheel heeft, vrees ik, iets van de fascistische architectuur zoals die onder Mussolini tot ontwikkeling is gekomen. Ceaucescu's Paleis van het Volk. Een allure van ongenaakbaarheid.

Terwijl ik dit schrijf, op een computer, zet ik zo'n regeringscentrum in beweging. Bij iedere tik op een toets rent er iemand met mijn letterboodschap door een gang, geeft die aan de volgende bode die de letter op het scherm plant, terwijl weer een andere knecht dezelfde letter vasthoudt om hem op een `schijf' te bewaren. Maar nu wordt in één van die gangen een bode door totale verlamming getroffen. Mijn vervloeking leest u hier niet, mijn wanhoop blijft voor u verborgen. Maar u begrijpt: mijn scherm zit vast. Ik ben teruggeworpen in de derde wereld van de `moderniteit', waar we machtelozer zijn dan Batavieren zonder knots.

W.F. Hermans heeft zich eens afgevraagd wat er met ons zou gebeuren als een micro-organisme binnen één nacht al het papier zou vernietigen waarop onze wetenschap en onze communicatie is vastgelegd. Algemene radeloosheid. Dat beeld is verouderd. Wat gebeurt er als een superstraal al onze elektronica doet verlammen, de gangen van onze paleizen der communicatie vol dode bodes liggen? De radeloosheid die Hermans zich voorstelde zinkt erbij in het niet.

Een klassiek middel om een bewind ten val te brengen is de algemene staking. Hoe meer personeel een bewind heeft, hoe kwetsbaarder het voor de algemene staking wordt. Goed beschouwd is het bewind al ondergeschikt aan zijn personeel. Zo gaat het bij ons, in onze verhouding tot de computer. Ik kom erop terug.