Een briesje in de polder

Consensus. Nu eens een ziekte, dan weer goede smeerolie. Het poldermodel ligt diep verankerd in `dit kleine landje', maar het zou vernieuwing wel steeds meer in de weg staan.

Het poldermodel stamt al uit de Gouden Eeuw. Tenminste, als daar het zoeken naar consensus tussen partijen onder wordt verstaan. Het is daarmee volgens de Rotterdamse hoogleraar institutionele economie J. Groenewegen sterk verankerd. ,,Economen willen de invloed van de historie nog wel eens schromelijk onderschatten. Als je economen hun zin geeft, krijg je gevaarlijke omwentelingen en grote instabiliteit.''

De afgelopen weken stak een stevige bries op tegen het poldermodel en de instituties die daar bij horen: de Sociaal Economische Raad (SER) en de Stichting van de Arbeid). Achterhaald, aan het einde van hun levenscyclus, overboord ermee! VVD'ers Dijkstal en Bolkestein, de Amerikaanse Harvard-econoom Porter, president Wellink van De Nederlandsche Bank hekelden allemaal het geringe aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie. Het voortdurende gezoek naar draagvlak en consensus is daar de grootste oorzaak van. Wellink schreef onlangs in het boek Nederland Kennisland: ,,Het tempo waarmee sociaal-economische hervormingen thans tot stand komen, ligt nog steeds te laag, verder herstel van het primaat van de politiek lijkt gewenst, evenals een sterkere differentiatie in lonen en prijzen''.

Porter, onlangs op bezoek in Nederland, waarschuwde dat op de lange termijn de welvaartsgroei alleen worden gehandhaafd door verbetering van de (arbeids-)productiviteit. En dat kan uitsluitend door innovatie. De stroperigheid van de overlegeconomie belemmert dit, aldus Porter. Groenewegen vindt dat onzin. ,,Je kunt met evenveel gemak aantonen dat hoe stabieler een economie is hoe meer geïnvesteerd wordt in innovatie. Ons model van stabiele arbeidsverhoudingen geeft investeerders veel zekerheden.'' Groenewegen erkent wel dat Nederland niet uitblinkt met verrassende technologische vernieuwingen. Daartoe is de Amerikaanse economie beter geëquipeerd, waar de arbeidsmarkt flexibeler is en aandeelhouders meer gericht zijn op korte-termijnsucces.

Is er sprake van een serieuze aanval op het poldermodel? Kritiek hierop is in ieder geval van alle tijden en net zo conjunctuurgevoelig als de economie. In slechte tijden wordt het oeverloze gepraat gezien als een ziekte, in tijden van hoogconjunctuur – zeker in de periode 1995-2000 – is de overlegeconomie de smeerolie die leidt tot lage werkloosheid en grote economische stabiliteit. Vanuit het buitenland kreeg Nederland de laatste jaren veel lof toegezwaaid, vooral dankzij de uitmuntende scores bij internationale economische vergelijkingen. Maar ook goede pr-tactiek droeg hieraan bij. ,,We hebben het heel breed helpen uitventen'', zegt Jeroen Sprenger, oud-voorlichter van de FNV en nu directeur voorlichting van het ministerie van Financiën. Vooral Wim Kok heeft hiervan geprofiteerd; hij geldt nu als een Europees staatsman en architect van sociale harmonie.

Volgens antipolder-partij D66 begint de kritiek evenwel fundamenteel te worden. Lijsttrekker De Graaf en oud-minister Wijers schreven onlangs in deze krant dat de aanval op het poldermodel ,,een metafoor is van de breed levende behoefte aan verbetering van ons maatschappelijk besturingsmodel''.

Voorzitter Schraven van werkgeversorganisatie VNO-NCW noemde deze week de recente kritiek modieus. ,,De geleidelijke aangepaste overlegstructuur met het kabinet en een aantal adviezen van de SER hebben in de afgelopen jaren wel degelijk bijgedragen aan de flexibilisering van onze economie.'' De PvdA spreekt bij monde van het Kamerlid Smits van een hype-discussie. ,,De markt en de politiek kunnen niet alles oplossen. Als het kabinet de WAO verregaand zou veranderen en de sociale partners staan daar niet achter de valt zo'n wet helemaal dood.'' Maar juist het eindeloze drama van de WAO laat volgens De Graaf en Wijers `de polder' zien als synoniem voor ondoorzichtig of helemaal niet beslissen, in overleg met lobby's en corporatistische organisaties.

Opmerkelijker is dat ook FNV-voorman De Waal zich zorgen begint te maken. Eerst reageerde hij in een nieuwjaarstoespraak als gebeten. Hij kenschetste Wellink als ,,filiaalhouder van een bijbankje van de ECB (Europese Centrale Bank, red) met wat te veel tijd voor eigen profilering.'' Maar hij vroeg zich ook af of de vakbeweging nog wel voldoende herkenbaar is in het poldermodel. En hij gaf econoom Porter niet helemaal ongelijk met zijn bewering dat de overlegeconomie innovatie belemmerend werkt. De Waal: ,,Misschien is het pragmatische inderdaad de vijand van de ideevorming. Het is waar: de afgelopen 8 tot 10 jaar waren geen periode van grootse ideeën, van meeslepende idealen.'' Om sociaal-economische vernieuwing te bevorderen wil De Waal het poldermodel in stand houden, maar de overheid er grotendeels buiten laten.

Werkgevers en werknemers moeten samen goede afspraken maken over het sociale beleid, maar, als zij het niet eens zijn, hun eigen lijn kiezen richting de politiek.,,In dit model worden de belangentegenstellingen duidelijker blootgelegd.'' Geheel in de traditie pleit De Waal er wel voor dat werkgevers en vakbonden eerst overleggen over welke onderwerpen ze het oneens zijn en waarop ze zich dus kunnen profileren.

SER-Kroonlid A. Kolnaar ziet net als De Waal wel wat aanpassingen op het poldermodel voor zich, maar geen grote veranderingen richting Angelsaksische ideeën, waarin meer het kapitaal de economie stuurt. ,,Wij zijn nu eenmaal een klein en communicatief landje waar niet één machtige meerderheid bestaat. Het overleg is diep ingebakken.''