De opmars van de witstippelschildmos

De korstmossen in Nederland maken een spectaculaire comeback. Dankzij een verbeterde luchtkwaliteit, maar ook door de stijging van de gemiddelde temperatuur. Zelfs tropische soorten gedijen hier goed.

Lichenoloog André Aptroot is in zijn nopjes. Het gaat goed met de korstmossen (lichenen) in Nederland. Erg goed zelfs, zo blijkt uit een omvangrijke studie hij onlangs samen met collega's Kok van Herk en Han van Dobben afrondde. Binnenkort verschijnt de wetenschappelijke publicatie ervan in het internationale vakblad The lichenologist.

In zijn werkkamer in het Centraalbureau voor Schimmelcultures in Utrecht vertelt Aptroot over zijn onderzoek aan deze niet-alledaagse organismen, waarvan er in Nederland wel zo'n 700 soorten voorkomen. Korstmossen zijn, anders dan hun Nederlandse naam doet vermoeden, geen mossen maar een curieus samenwerkingsverband tussen een schimmel en een alg.

Binnen de korstmossen, waarvan wereldwijd meer dan tienduizend soorten voorkomen, bestaan verschillende afstammingslijnen. De samenwerking tussen schimmel en alg is in de loop der evolutie diverse malen ontstaan. Aptroot mijdt de term `symbiose' omdat de relatie niet gelijkwaardig is. ``De algen spelen een ondergeschikte rol; zij worden door de schimmel als een soort voedsel gehouden. In tegenstelling tot de schimmel kunnen zij zich niet seksueel voortplanten. Het enige voordeel voor de alg is dat hij dankzij de inbedding in de schimmel meer ruimte krijgt. De variëteit aan schimmelsoorten is veel groter dan die van de algensoorten in deze samenwerking.'

grijsgroene plakkaten

Aptroot vertelt gedreven, maar voortdurend dwaalt zijn blik af naar het raam. Hij popelt om het spectaculaire herstel van de korstmossen in de praktijk te laten zien. ``Korstmossen kun je makkelijk binnen achter je binoculair bestuderen,' zegt hij, ``maar ik wil altijd naar buiten. Zo houd je voeling met de veranderingen in de natuur.'

De jassen gaan aan, het is guur buiten. ``Ver hoeven we niet te zoeken', zegt Aptroot. Vastberaden loopt hij op de dichtstbijzijnde bomen af, recht tegenover de ingang van het instituut. ``Op dit groepje abelen hier zitten wel zo'n dertig soorten korstmossen. Ongekend!' Hij wijst op de grijsgroene plakkaten op de ruwe schors. ``Nog niet zo lang geleden waren de stammen helemaal kaal, maar nu komen de korstmossen overal uitbundig op.'

Even verder stopt hij bij een iep langs het fietspad, die als je erop let ook al bezaaid blijkt met allerlei verschillende korstmossen. Gewapend met een loep bestudeert Aptroot er één op ooghoogte: ``Kijk, dit exemplaar heeft kleine witte spikkels. Het is witstippelschildmos, een zuidelijke soort die hier altijd zeldzaam is geweest. Tot de soort rond 1990 aan een opmars begon als gevolg van het warmer wordende klimaat.'

André Aptroot en Kok van Herk vormen een hecht duo dat dikwijls samenwerkt. Behalve dat ze plaatsgenoten zijn, delen ze de interesse voor lichenen. Zij zijn vrijwel de enigen in Nederland die zich professioneel met het onderzoek aan korstmossen bezighouden. Volgens Aptroot is dat de belangrijkste reden dat hij als onderzoeker van veertig al meer dan 250 wetenschappelijke publicaties op zijn naam heeft staan. ``Veel vragen en bijzonderheden over korstmossen komen vanzelf op ons af. In een klein vakgebied als dit ben je al gauw de specialist.'

In 1994 schreef Aptroot samen met Van Herk de enige Nederlandse veldgids van korstmossen. Daarvoor bestonden er alleen vertaalde buitenlandse gidsen, maar die richtten zich vooral op soorten uit de bergen. De Nederlandse veldgids bracht de nationale lichenenflora voor het eerst in beeld: soorten die groeien op bomen langs de weg, op muurtjes en op stoepen. Het boekje bleek in een grote behoefte te voorzien: binnen de kortste keren was het uitverkocht. Vier jaar later volgde de Rode Lijst van korstmossen in Nederland, een officiële lijst van de bedreigingsstatus van alle soorten.

``Mijn eerste korstmos verzamelde ik toen ik elf jaar oud was', vertelt Aptroot. ``Ik woonde toen aan de kust en begon met het verzamelen van schelpen en stenen, maar al gauw werd ik getrokken tot de korstmossen. Daar was zo weinig over bekend, dat was een grote uitdaging. De vaak fel gekleurde exemplaren van de buitennissige organismen hoefde ik alleen maar te drogen waarna ik ze prima kon bewaren.'

epifytenwoestijnen

De recente vooruitgang van korstmossen is heel opvallend, aldus Aptroot. ``In de tijd dat ik serieus begon met het inventariseren van korstmossen was het beeld altijd hetzelfde: een gestage achteruitgang. Zelden vond je iets nieuws, en ieder jaar waren er wel weer een aantal soorten verder teruggedrongen. Daarna was het een tijdje stabiel, maar heel arm.'

De voornaamste oorzaak van die armoe was de luchtverontreiniging. Korstmossen zijn daar uiterst gevoelig voor, met name voor zwaveldioxide. Aptroot: ``In 1850 ontdekten wetenschappers dat korstmossen verdwijnen als er te veel luchtvervuiling is. Dat viel voor het eerst op in het Bois de Fontainebleau bij Parijs. Sindsdien is het rond alle grote steden zichtbaar geworden. In de jaren zeventig onstonden de zogeheten epifytenwoestijnen, grote gebieden rond grote steden waarin vanwege de luchtverontreiniging geen korstmos meer te bekennen was. Gevoelige soorten werden helemaal teruggedrongen. Groot schildmos bijvoorbeeld kwam in Nederland alleen nog aan de kust voor, de enige plek waar nog een schone westenwind uit zee waaide.

``Met het opkomend milieubesef heeft de overheid vanaf 1970 vele convenanten met de zware industrie en elektriciteitsmaatschappijen gesloten teneinde de rookgas-uitstoot van hun fabrieken en centrales te beperken of te zuiveren. Daarmee werd vooral de uitstoot van zwaveldioxide teruggedrongen. Dat heeft een gigantisch effect gehad. Sinds 1980 zijn een heleboel korstmossoorten in groten getale teruggekeerd, soms zelfs tot bijna het oude niveau van voor de industriële groei.'

Een andere factor die het korstmosbestand sterk heeft beïnvloed is de flink stijgende ammoniakconcentratie in de lucht als gevolg van de sterk gegroeide bioindustrie. Aptroot: ``Nergens ter wereld is de uitstoot van ammoniak zo hoog als in bepaalde delen van Nederland, zoals de Gelderse Vallei, Overijssel en Brabant. Daardoor hebben we een groot aantal stikstofminnende korstmossen, zoals dooiermos. Het zijn in feite onkruidsoorten, de `brandnetels' onder de korstmossen. Er is ook een keerzijde. Andere soorten kunnen door de ammoniak niet profiteren van de verlaging van de zwaveldioxide-concentraties en zijn weggebleven of gaan zelfs nog achteruit.

``Effecten van ammoniak zijn zichtbaar rond de bron. Stikstofminnende lichenen zijn heel kenmerkend. Zie je ergens opvallende gele korstmossen op bijvoorbeeld eiken, dan kun je ervan uitgaan dat er ter plaatse veel ammoniak in de lucht zit. Dat maakt korstmoskartering interessant voor provinciale overheden, die verantwoordelijk zijn voor het ammoniakbeleid. Aan de hand van korstmossen is de ammoniakbelasting van het milieu tot op details van minder dan een kilometer nauwkeurig in beeld te brengen. Kok van Herk heeft dit in acht provincies uitgevoerd.'

De laatste jaren zien lichenologen echter veranderingen in de korstmosflora optreden die niet zijn toe te schrijven aan de luchtkwaliteit. Aptroot: ``Bepaalde soorten, bijvoorbeeld IJslands mos, gaan hard achteruit terwijl zij niet gevoelig zijn voor ammoniak. In 1998 vonden we deze soort nog maar op zeven plekken in Nederland, vóór 1950 was het op tientallen plaatsen bekend. Wat opvalt is dat deze teruglopende soorten vooral boreale (noordelijke) korstmossen zijn. Ondertussen gaan de zuidelijke soorten vooruit. Zelfs tropische soorten koloniseren ons land sinds kort.``En tot onze grote verbazing hebben we in Nederland de afgelopen jaren wel tien nieuwe korstmossoorten ontdekt. Heel opvallend, want de laatste vondst van een nieuwe soort in Nederland dateerde uit 1796: vals rendiermos. Eén van die recente nieuwe soorten, nieuwe druppelkorst geheten, is later ook in zuidelijke landen aangetroffen. Hij heeft daar waarschijnlijk zijn oorsprong, maar is er tot nu toe onopgemerkt gebleven. Nederland, en in feite de hele driehoek tussen Scandinavië, Engeland en de Alpen, is wat korstmossen betreft het best in kaart gebrachte gebied ter wereld. Niet verwonderlijk dus, dat de nieuwe vondsten hier worden gedaan en pas later elders worden geconstateerd.'

Stuk voor stuk bleken al deze nieuwe soorten vooruit te gaan. Daar moest meer aan de hand zijn. Samen met Van Herk bracht Aptroot alle Nederlandse korstmossen die op bomen en op de grond groeien in kaart, 329 soorten in totaal. Ze verzamelden alle relevante literatuurgegevens en raadpleegden vele privé- en instituutsherbaria. Ook maakten zij dankbaar gebruik van de lijst met vindplaatsen van korstmossen die de Bryologische en Lichenologische Werkgroep al tien jaar trouw bijhoudt. Het vermoeden werd bevestigd: bijna alle tropische soorten zijn sinds 1980 toegenomen, terwijl de helft van alle boreale-arctische soorten in die periode juist achteruitgaat.

unieke tijdreeks

Bij hun onderzoek betrokken beide lichenologen ook de korstmosgegevens van de provincie Utrecht. Deze provincie laat sinds 1979 elke vijf jaar een inventarisatie maken van alle op bomen groeiende korstmossen. Aptroot: ``Nu, na vijf inventarisaties over een periode van 22 jaar, hebben we een unieke tijdreeks van de ontwikkeling van de soortensamenstelling van korstmossen in handen. Daar konden we aan rekenen.'

Volgens een vast systeem kenden zij aan iedere soort een getal toe als maat voor de gevoeligheid voor bepaalde milieuomstandigheden, zoals vochtigheid, zuurgraad, temperatuur en luchtverontreiniging. Daarna konden zij via een zogeheten regressieberekening destilleren welke factoren bepalend waren voor de verspreiding van korstmossen. Deze methode brengt de onderliggende algemene trends keurig aan het licht.

``In de periode '89-'95 blijkt de gevoeligheid voor zwaveldioxide- en ammoniakconcentraties in de lucht significant. Andere factoren doen er niet toe. In de periode '95-2001 blijkt de gevoeligheid voor ammoniak nog steeds significant, maar zwaveldioxide niet meer. Maar ook, en dat was verrassend, blijkt de temperatuur in deze periode een bepalende factor voor de verspreiding van korstmossen. Onze conclusie is dat de toename van korstmossen samenhangt met het broeikaseffect', aldus Aptroot. Inderdaad wordt het Nederlandse klimaat de laatste jaren steeds warmer, in gelijke tred met het opwarmen van de aarde. Volgens het KNMI was het in ons land de laatste 14 jaar vrijwel elk jaar warmer dan de gemiddelde jaartemperatuur van 9,8 graden Celsius. En de tien warmste jaren sinds 1901 vielen alle na 1988. Het broeikaseffect weerspiegelt zich in de korstmossenflora.

Dat dit klimaateffect zich nu juist bij korstmossen manifesteert ligt volgens Aptroot aan het feit dat korstmossen zich snel over grote afstanden kunnen verspreiden. ``De sporen die zij maken zijn slechts tien micron groot, een fijn stof dat door de wind kan worden meegevoerd naar alle uithoeken. Als een bepaalde omgeving geschikt is voor een korstmos, dan zal hij er kunnen komen. Voor de meeste andere organismen, zoals planten en dieren, geldt dat niet; het duurt eindeloos voor zij zich in een nieuw gebied vestigen, en soms moet de mens een handje helpen om soorten te herintroduceren.

``Maar korstmossen komen vanzelf. Zo kwam ik bij veldwerk in de bergen van Papoea Nieuw Guinea korstmossoorten van het noordelijk halfrond tegen. Ze hebben kennelijk geen probleem om zich naar de andere kant van de wereld te verplaatsen. Korstmossen halen hun voedingstoffen vrijwel uitsluitend uit de lucht. Het oppervlak waarop zij zich vestigen gebruiken ze slechts als houvast. Ze kunnen dan ook op veel plaatsen gedijen: op stuifzand, op betonnen paaltjes, op bomen en zelfs op oppervlakken van plastic, glas of metaal.'

Aptroot verwacht dat de verschuiving binnen de korstmossen als gevolg van de hogere gemiddelde temperaturen een voorbode is van veranderingen in de rest van de natuur. ``Korstmossen kunnen dankzij hun formidabele verspreidingsvermogen snel reageren op veranderde omstandigheden. Daarom ook vormen zij de eerste groep van organismen waarin over de hele linie duidelijke verschillen zijn waar te nemen als reactie op het warmere klimaat. Bij andere soorten is recent ook wel enige verandering waargenomen, bijvoorbeeld bij de koolmees, maar daar gaat het altijd om de fenologie: een aanpassing in gedrag aan de verschuiving van de seizoenen.

``Ik vrees dat op de langere termijn andere organismen minder flexibel zullen zijn dan korstmossen. Als deze groepen zich niet weten aan te passen aan een warmer klimaat dan zal dat, anders dan bij korstmossen, negatief uitpakken. Bij korstmossen overstijgt de toename van soorten de achteruitgang van andere soorten. Andere organismen zullen langzaam verdwijnen.'

Gerecificeerd

Korstmossen

In het artikel over korstmossen (W&O, 12 jan.) zijn de fotobijschriften per abuis verwisseld. De juiste volgorde luidt, van boven naar beneden: groot schildmos, witstippelschildmos en groen boomschildmos.