De ontdekking van de wereld

De wereld is veranderd, zo luidt de mantra na 11 september. Maar is dit wel zo? 'Zoals het er nu uitziet, wedden we op de restauratie van vóór de elfde.'

Het is meer voorgekomen dat een nieuwe fase van de geschiedenis begint met de verwoesting van een groot gebouw: de Bastille, de Rijksdag, de Muur. De burcht van een eeuwig gewaande orde stort in. De puinhoop is het symbool van wat geweest is. De oude orde was van binnen al verrot, maar het was niet zichtbaar. Nu, door de geweldige zichtbaarheid voor de wereld, kan niemand meer ontkennen dat er iets nieuws is aangebroken. Met de verwoesting is bewezen dat de zekerheden van gisteren hun geldigheid hebben verloren. Niemand weet wat ervoor in de plaats komt. Er is `een sprong in het ongewisse' gemaakt.

Past de verwoesting van de Twin Towers in deze reeks? Het onmiddellijke gevolg was een alomvattende verwarring in het westen. Geen verwarring heeft sneller om zich heen gegrepen; geen sector van het openbare leven bleef gespaard. Iets nieuws: de alzijdig gemondialiseerde verwarring. De militairen hadden hun nieuwe oorlog ontdekt, de burgers hun nieuwe onveiligheid, intellectuelen verdiepten zich in oorzaak en schuldvraag, juristen streden over hervorming van wet en rechtspleging, economen stelden hun voorspellingen bij, profeten zagen hun volgende Apocalyps. ,,De aanval heeft de reset button getroffen'', zei Colin Powell.

Op 11 september om een uur of drie werd ik opgebeld. ,,Kijk naar CNN'', riep iemand. Op de televisie van de redactie zagen we het tweede vliegtuig tegen het World Trade Center aanvliegen, live, en wat er volgde, de rechtstandige ineenstorting.

Over de twee gebouwen ben ik het nooit met mijzelf eens geworden. Mooi? Wat is mooi. Ik gaf de voorkeur aan de oude roller coaster, de Thunderbolt op Coney Island. Die enorme achtbaan van hout en ijzer heb ik in een ander soort ondergang gezien: roestend, vermolmd, ieder jaar verder overwoekerd door struikgewas. Alles is nu afgebroken; ingehaald door Walt Disney.

De zilveren schoenendozen waren me dierbaar. In een zomerse ochtendnevel verdwenen ze in lichte grijsheid. Begon de winterse schemering, dan werden ze tot stralende bakens. Ik dacht: de kachel gaat aan. En ze waren er altijd als ik van het vliegveld in een taxi naar de stad reed. Als een illusie, maar concreet, vertrouwd. Nu stond ik verstijfd en ademloos te kijken naar hun vernietiging. Niet mogelijk. Wat ging daar ten onder?

Toen dacht ik aan Victor Serge, aan de memoires van de revolutionaire schrijver. Het is 1940; hij woont in Parijs. In april waren Noorwegen en Denemarken overvallen, op een mooie voorjaarsmiddag werd Rotterdam verwoest. De Wehrmacht nadert. Op 10 juni besluit hij, niets goed van de nazi's te verwachten hebbend, te vluchten. Hij schrijft: ,,Laatste beelden van Parijs. Boven de Porte des Lilas drijft een blauwachtige rook in de richting van Montmartre. De omgeving van het Gare du Nord ligt er godverlaten bij, luiken voor de winkels. In de verte klinkt het gieren en de inslagen van granaten. Ziet zo het begin van het einde van de wereld eruit?

We vluchten. Ik bespeur bij mijzelf een gevoel van opluchting. Dierbare voorwerpen, papieren, een manuscript, alles is verloren zonder dat het me werkelijk raakt. Een compleet stuk van het oude Europa zakt in elkaar. De gebeurtenissen zijn onafwendbaar. We hebben in een verstikkende, doodlopende steeg geleefd.''

Bacchanaal

Wat gebeurde daar in New York? Einde van een tijdperk? Alweer? Na de val van de Muur zijn we met het ene einde na het andere doof getetterd. De periode van de grote superlatieven was aangebroken, het ultieme werd achtervolgd en ingehaald door het hyperultieme. Met de nederlaag van de Sovjet-Unie had een complete wijze van denken, alle verscheidenheid in de filosofie van de `maakbare samenleving', het onderspit gedolven, verzekerden de exegeten van deze eindoverwinning. Het gelijk van rechts daverde over de wereld. De politiek had afgedaan, de staat werd ontmanteld, zijn functies bij opbod verkocht. Reusachtige ondernemingen namen de organisatie van de maatschappij over, ze mondialiseerden. De hele wereldeconomie bleef groeien, en als we geduld hadden, werd iedereen vanzelf rijk, de één wat meer dan de ander, maar niet armer.

Dat was te danken aan de vrije markt. Het was alsof de mens opnieuw een mutatie had ondergaan. De vrije markt had hem tot consument bevorderd. Alles stond hem voortaan ten dienst, de hele aarde met wat er leefde en wat erin zat. In de schepping van de consument had de vrije markt God overtroffen.

De nieuwe mens liet zich dat geen twee keer zeggen. Zo heeft de vrije markt in de loop van de jaren negentig een storm van hebzucht en vraatzucht ontketend. In de consumentencultuur werden de maaltijden groter, de mensen dikker, de pillen krachtiger, gingen de reizen verder, werd het leven zelf omgebouwd tot steeds fantastischer entertainment. Nieuws werd entertainment en entertainment was het belangrijkste nieuws. Een virtuele jaggernaut daverde over de aarde, een reusachtige jan plezier met een permanent schaterende koetsier daverde over de aarde. Dat waren de Roaring Nineties. Groter bacchanaal, met meer mensen aan tafel, meer personeel, muzikanten, acrobaten, narren, hoeren en knechten was in de wereldgeschiedenis niet vertoond.

In politieke termen uitgedrukt blijft het wereldbeeld van de zuivere consument beperkt tot zijn eigenbelang, voorzover dat zich uitstrekt tot vandaag en morgen, binnen de actieradius van de consumptie. Daarom kan de consumentencultuur niet anders dan apolitiek, asolidair en egocentrisch of `geindividualiseerd' zijn. Voor commerciële verbeeldingskracht is de consument ontvankelijk; voor grote politieke ondernemingen niet. Het beste bewijs is de oorlog in Joegoslavië, door westelijke naties en internationale organisaties eendrachtig in quarantaine gehouden. Miloševic, zegt men nu, staat terecht. Het is daar weer vrede. Het is allemaal in orde gekomen. Die loftuiting aan ons eigen adres is de meest cynische hoon die we de 200.000 dode Europeanen van acht jaar oorlog kunnen toebedelen.

Op 11 september zagen we een spektakel dat al het nieuws en al het entertainment overtrof. Een grand guignol, niet geregisseerd door de raad van bestuur van Luilekkerland, maar door een vreemde tovenaar met een baard en een tulband. Terwijl we ons opmaakten voor de volgende ronde, terwijl het schmeichelend personeel de glazen bijvulde, keerde zijn personeel onze tafel om en blies de pilaren van het feestgebouw op. Bijbelse toestanden.

Paniek. Telkens weer laten we de beelden van de brandende torens zien. Waartoe dient dat? Ik hoef dat duizendmaal herhaalde schouwspel nooit meer te zien. Beter zou het zijn, denk ik, als er beelden bestonden van onze paniek, en als die `in de herhaling' gingen. Pas als ze in paniek zijn, weet je wat je aan de mensen hebt. De paniek van september verdient een afzonderlijke geschiedenis.

Het eerste hoofdstuk bevat de openbaringen van schuld en onmacht, met een curieuze ondertoon van voldoening of als plechtig moralisme aangekleed leedvermaak. Het kwam in tientallen nuancen. Op 27 september verscheen Le Monde met een bijvoegsel, Le nouveau désordre mondial, waarin zeventien intellectuelen van internationale reputatie hun commentaar gaven. Naomi Klein ziet in de gedaante van Osama bin Laden `het Monster van Frankenstein, dat zich nu opgebouwd uit collateral damage tegen Amerika heeft gekeerd'. André Glucksmann en Romain Goupil stellen vast dat `een spook over de planeet waart, het spook van het nihilisme'. Er zijn bijdragen van Susan Sontag, Edward Saïd, Martin Amis, Paul Kennedy, stuk voor stuk elegant geschreven, met vernuftige wendingen.

De algemene toon wordt gezet door de herdruk van het redactionele hoofdartikel van 13 september: `Het einde van een droom'. Dat is de droom van de onkwetsbaarheid achter het ondoordringbaar raketschild. De kop boven het artikel: Refuser le manichéisme laten we niet denken in absoluut goed en kwaad. Een maand later zegt de hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique het zonder poespas: `Amerika heeft het er zelf naar gemaakt.'

In Die Zeit, ook van 27 september, treden Jean Baudrillard, Jean-Marie Guéhenno en Hans Magnus Enzensberger aan. En dan is er de stroom van zelfonderzoek en zelfkritiek in de Amerikaanse tijdschriften die liberal zijn.

Verreweg het beste in het genre is, dunkt mij, een essay van John le Carré, een requisitoir tegen de leiders van het westen die in de tien jaar na de Koude Oorlog hebben toegelaten dat wat fatsoenlijk aan de westerse staat en zijn politiek was naar de achtergrond werd gedrongen of gesloopt, ten behoeve van het rendement zoals dat door de gemondialiseerde economie werd voorgeschreven. Wij in het westen hebben deze oorlog al verloren, roept hij.

Ook een overwinning kan de geleden nederlagen niet meer goedmaken. ,,De schimmige legers van Bin Laden zullen in de emotionele tijd na zijn dood eerder groter worden dan wegkwijnen. (-) In onze achtertuintjes zal het nooit meer zo veilig zijn als vroeger.''

Nimbus

Tegenover de zelfbeschuldigingen, het kwade geweten, de angst en de wanhoop staat de school van de geharnaste denkers, de fatalisten van het erop of eronder, de directe realisten. Ook die waren er vóór 11 september. De oorlog tussen beschavingen, godsdiensten is begonnen, zeggen Samuel Huntington en zijn talrijke geestverwanten. Ons doel is de overwinning, en het doel heiligt de middelen.

Het slot van deze geschiedenis van de paniek na de elfde behandelt het beeld van Osama bin Laden in het westen. Hoeveel keer hij met Jezus is vergeleken valt niet te tellen. In het imago zoals dat na de elfde in het westen van hem werd opgebouwd gingen een superieure en onkwetsbare macht samen met een magisch of mystiek leiderschap, de nimbus van onoverwinnelijkheid. Van grot naar grot verhuizend, wekte hij angst.

Het onverdraaglijkst is dat deze terroristische Messias een vreemde is. ,,Was het er maar één van ons geweest!'', riep een dag na de aanval een goede bekende in het voorbijgaan. ,,Timothy McVeigh! Maar een geitenhoeder!'' Dat is de diepste oorzaak van de verwarring. Een vreemde heeft met onze vliegtuigen onze Twin Towers verwoest, ons in het hart van de hoofdstad van de wereld diep vernederd. Dat is meer dan een misdaad. Het is de paradox, of de absurditeit, dat grote historische voldongen feit: een misdaad waarop hij geen recht had.

Na drie weken voorbereiding kwam de tegenaanval. Met de voorgeschiedenis van Vietnam en de ervaringen van het Rode Leger hield men zijn hart vast – ook binnen de Amerikaanse regering. Powell en Rumsfeld hadden ruzie, maar de coalitie werd bij elkaar gehouden. In Pakistan en de Arabische landen liet de gevreesde `straat' zich niet gelden. De taaie krijgers (Rumsfeld) van de Talibaan sloegen op de vlucht voor de Noordelijke Alliantie en de Amerikaanse bommen. Het Al-Qaedanetwerk werd aan rafels gescheurd. De mensen van de bevrijde steden gedroegen zich als alle mensen die van een barbaars bewind bevrijd zijn. Minder dan honderd dagen na de aanval is de tegenaanval in een overwinning geëindigd.

Daarbij komt de videoband van Osama bin Laden. De inmiddels onvindbare vluchteling heeft zichzelf tot menselijke proporties teruggebracht. Hij lacht. De Messias van de nieuwe terreur giechelt als hij vertelt dat het saldo aan doden zijn verwachtingen heeft overtroffen. Hij is een ijdele man, verachtelijk in zijn onverschilligheid en dom in zijn zelfoverschatting.

Zelfs de aanval verschijnt in een ander perspectief. Misschien is deze openingszet in Bin Ladens oorlog niet het begin van de nieuwe netwerkoorlog, waarin het westen door overval na overval van paniek naar paniek wordt gevoerd. Misschien is de verwoesting van het WTC, door alle naïviteit en slordigheid, bij ons wel een geniale toevalstreffer. Twee maanden na de aanval had New York een toestand bereikt die daar de new normalicy wordt genoemd. Zoals we op 12 september al konden vermoeden: de aanvaller had zijn tegenstander verschrikkelijk onderschat.

Borreltafel

Hebben de pessimisten van september zich vergist? Eerder valt te verdedigen dat hun gelijk voortduurt.

De pessimisten zijn er in soorten. Opvolgers van Spengler die denken dat de westerse beschaving verbruikt is; historici als Paul Kennedy die bewijzen dat een wereldrijk aan zijn eigen macht te gronde kan gaan; natuurbeschouwers die geloven dat de mens met iedere vooruitgang van de techniek zich verder van zijn wezen vervreemdt; empirici van de borreltafel die aantonen dat vroeger alles beter was. Al die pessimisten bedoel ik niet.

Na iedere grote oorlog valt aan de overwinnaars de taak toe de wereld opnieuw te organiseren. Na de Eerste Wereldoorlog is dat slecht gedaan; na de Tweede snel en goed; na de Koude vrijwel niet. George Bush sr. heeft de confrontatie met Saddam Hoessein gebruikt om het met zijn Nieuwe Wereldorde te proberen.

Maar het conflict was te klein en duurde niet lang genoeg om hem een kans te geven. En machten waarop hij rekende waren niet sterk genoeg meer. De politieke klasse – het mengsel van politici, de geëngageerden uit de wetenschap en de literatuur, journalisten en de politiek actieve burgerij – was al in de marge gedrongen. Het `primaat van de economie' is voor het einde van de Koude Oorlog begonnen.

Toen is het Westen door de `jaren negentig' overweldigd. Toen is de groei van de consumentencultuur tot wereldmacht begonnen. De consumentencultuur is een complex op zichzelf, de gevaarlijkste concurrent van alle politieke en godsdienstige organisaties.

Tussen het begin van de partytime in het westen en de elfde september heeft het ook in het westen niet aan critici ontbroken. Hun boodschap had dezelfde waarschuwende strekking: dat onze consumptiecultuur, aan zichzelf overgelaten, zonder politieke richting, zonder enig bewustzijn van andere aanwezigheden in de wereld, afbreuk aan eigen kracht deed, en een uitdaging tot internationale confrontatie was. De critici werden ingedeeld bij de zwartkijkers, maar wat ze te vertellen hadden, was niet pessimistisch, zoals een rinkelende bel bij een overweg niet pessimistisch is. Maar het paste niet in de formule. De kritiek is nooit doorgedrongen. Pas met de eerste grote demonstraties van de antiglobalisten werden de consumentenmassa's gewaar dat er kritiek op hun cultuur is.

Na de val van de Muur was de weg definitief vrijgegeven voor de stormloop op alles wat zonder verplichtingen lekker was. En de Economie, inmiddels bevorderd tot opperwezen, nodigde dagelijks uit tot meer. Het is niet uitgesloten dat deze samenloop van omstandigheden het aanzien heeft gegeven aan een van de lawaaiigste, platste, vraatzuchtigste en onbenulligste tijdvakken uit de westerse geschiedenis. De Roaring Nineties heb ik ervaren als een verstikking in een opeenstapeling van kwantiteiten. Vandaar dat op de elfde, terwijl ik naar de televisie stond te kijken, me Victor Serge te binnen schoot.

Gluipstreek

Afscheid van een wereld? Heeft het westen dat verdiend? Die gluipstreek?

Hadden de duizenden mensen die 's ochtends met de illusie van een dag voor zich in de subway waren gestapt, zorgvuldig aangekleed, argeloos hun eindeloze toekomst tegemoetgaand, verdiend dat ze een half uur later onder het puin begraven zouden worden? Waren zij, door de waandenkbeelden van een paar godsdienstpsychopaten, de ongewilde voorhoede van onze wereld geworden? Zijn die torens daar gebouwd om de Arabieren dwars te zitten, de moslims te laten weten wat hun plaats is? Wat een volslagen onzin. Ik zag een misdaad van monsterlijk formaat. Ik dacht aan Victor Serge. Dezelfde dag heb ik de passage nagelezen die ik jaren geleden had aangestreept. ,,We hebben in een steeg geleefd.'' Dat was het. De reset button was getroffen.

Vier dagen later stond in de Financial Times een essay van Francis Fukuyama. ,,Goldman Sachs en Microsoft zullen geen vliegdekschepen en troepen naar de Golf sturen om Osama bin Laden te vangen. Dat doen de vloot en het leger.'' Een knappe diagnose. Zijn conclusie: De staat is terug.

Drie maanden later heeft hij nog meer gelijk gekregen. De staat is weer overal. Het is de staat van het Amerikaanse volk, het verder nergens vertoonde mengsel van rassen, godsdiensten, vrijheid en nationalisme, dorpse onverdraagzaamheid en kosmopolitische largeur, absurdisme en fatsoen – dit alles onder een politiek systeem dat, gevoed door de energie van optimisme, de sterkste natie ter wereld heeft doen ontstaan. Welke president er op het ogenblik van de aanval ook aan het bewind zou zijn geweest, hij was de nationale president geworden.

Dat is zijn persoonlijke metamorfose. Vóór de elfde was hij een president die met een van de geringste meerderheden in zijn ambt was geholpen. De landkaart van de verkiezingen toont dat hij in november 2000 precies de helft van Amerika vertegenwoordigde, het platteland. De steden waren voor de Democraten. Door zijn programma voor zijn buitenlandse politiek liep een rode draad. Het land moest zijn internationale verplichtingen terugbrengen tot het minimum en zich concentreren op zijn eigen verdediging. Geen verdragen die Amerika's armslag konden beperken, geen nation building, zo weinig mogelijk Verenigde Naties, en wel het raketschild, het mythologisch pantser van onkwetsbaarheid. In de binnenlandse politiek zou de toon worden gezet door het compassionate conservatism. Het heeft te weinig tijd gehad om zich te ontplooien. We weten alleen dat de National Rifle Association en de Pro Life anti-abortus beweging bij dit programma van behoudend mededogen horen.

Na de elfde heeft het Republikeinse bewind de wereld ontdekt, zich snel gereorganiseerd en met voorlopig groot succes zijn eerste oorlog gevoerd. Het westen heeft zich dienstbaar gemaakt aan het Amerikaanse oorlogsdoel. Tot dusver zijn we het in grote meerderheid met de Amerikaanse regeling eens. De vraag is, hoelang nog? Want nieuwe doelen doemen op. Saddam Hoessein? Somalië? Of toch Iran, het land dat nu een vriend begint te worden?

De buitenlandse politiek van Bush is alleen veranderd voorzover de bondgenoten zich schikken naar de oorlog zoals die door zijn bewind wordt gedefinieerd. De succesvolle machtsontplooiing in Afghanistan bevestigt op een andere manier, en krachtiger, het politieke programma van Bush. Voor de binnenlandse politiek geldt hetzelfde. Minister van Justitie Ashcroft zal de religious right niets in de weg leggen. Het oppakken van vreemdelingen volgens zijn directieven is onverbloemd hard rechts.

We nemen aan dat deze oorlog `straks' als gewonnen wordt beschouwd. Hoe ziet de wereld er dan uit?

Tien jaar na de Koude Oorlog ontdekken we het internationaal terrorisme als wereldvijand. Terrorisme is het vruchteloze of contraproductieve antwoord op een overmacht. We weten waar het terrorisme vandaan komt. Uit de Arabische wereld, het deel dat de aansluiting met de `moderniteit' heeft gemist. Het is niet de islam, geen rassenvraagstuk, maar een negatief complex van feodalisme, rijkdom op de verkeerde plaatsen, dictatuur, fundamentalisme en vernedering door het vergeefs verzet tegen een oppermachtige tegenstander Amerika. De fatale laatste waarheid van de terrorist is dat hij geen alternatief heeft, geen ideologie, theorie of programma voor een maatschappij die op deze aarde, anno nu te verwezenlijken valt. Zijn acties zijn noodlottig, op den duur ook voor de omgeving waar hij uit voortkomt.

Om internationaal terrorisme goed te bestrijden moet het zijn omgeving worden ontnomen. Dat is een vraagstuk van buitenlandse politiek, groter en ingewikkelder dan dat door Truman en de zijnen moest worden opgelost. Zullen Bush, Cheney, Rumsfeld, Powell en Ashcroft daartoe in staat zijn? Mohammed Ali wordt nu ingezet om twijfelende Arabieren ervan te overtuigen dat Amerika het goed bedoelt. Ik heb sympathie voor de grote bokser, maar of hij de volgende Bin Laden kan verslaan?

Misschien is de eerste fase van de veeljarige oorlog bijna voorbij. Nu moet er gekozen worden. Nog een haard van terrorisme bombarderen, en dan terug naar de steeg van het gedepolitiseerd consumentisme? Hopen dat de rest van de mensheid ook het licht daar zal zien? Met alle macht restaureren; of beginnen aan een reconstructie in de geest van Truman en de zijnen? Zoals het er nu uitziet, wedden we op de restauratie van vóór de elfde.