Best versus de rest

Na dertig jaar puzzelen zegt de Amsterdamse onderzoeker Jan Best het Lineair A definitief te hebben ontcijferd. Het oude Kretenzische schrift zou een Semitische taal weergeven. Collega's zijn niet enthousiast.

`Een schrift ontcijferen als het Lineair A is een loopgravenoorlog', zegt buiten-universitair taalonderzoeker Jan Best. ``Je probeert op de prehistorie een stukje geschiedenis te veroveren door te willen lezen wat een bepaalde cultuur schrijft. Dat is gigantisch moeilijk en een nieuw idee in de frontlinie uitproberen vergt lef. Er worden veel nederlagen geleden, ook psychisch. Vaak was ik de wanhoop nabij, als ik er weer eens niet uitkwam. Het was een hel. Wie een probleem wil oplossen moet de ruimte krijgen, maar in de geesteswetenschappelijke wereld zoals ik die in Amsterdam aantrof maakt de hoogste figuur in de pikorde de dienst uit. Een gezag waaraan ik mij niet wens te onderwerpen.''

Gisteravond hield Best joviaal en gedreven, Amsterdamse tongval in Felix Meritis op uitnodiging van het Forum voor Europese Cultuur een lezing getiteld `Lineair A definitief ontcijferd'. Daarin stelde hij dat het Linair A, een schrift dat rond 1800 voor Christus op het eiland Kreta tot ontwikkeling kwam, een Semitische taal weergaf. Het zou om een oud soort Fenicisch gaan dat in de periode 1850-1400 voor Christus in de regio werd gebruikt. Tot nu toe hadden alle pogingen om de taal achter het Lineair A te achterhalen gefaald, volgens sommigen omdat die taal, net als het Baskisch, geheel op zichzelf stond. Best publiceerde zijn ontcijfering in Ugarit-Forschungen, internationaal jaarboek voor de oudheidkunde van Syrië en Palestina, waarvan aflevering 2000 (Band 32) zojuist is verschenen.

Het mysterie van het Lineair A dateert van 1900. In dat jaar stuitte de Britse archeoloog Sir Arthur Evans tijdens zijn opgraving van het paleis van koning Minos in Knossos op het eiland Kreta behalve op fresco's, altaren en vazen ook op een aantal kleitabletten met een schrift dat zich niet zomaar liet duiden. De minoïsche beschaving, zo bleek, heeft in de loop van zijn bestaan, circa 2000-1200 voor Christus, drie schriften ontwikkeld. Het oudst waren een soort hiërogliefen, figuren die vooral in zegels werden gebruikt. Daarnaast waren er tabletten met twee varianten van een `lijntjes'-schrift, door Evans `Lineair A' en `Lineair B' gedoopt. Tientallen jaren zwoegde en ploeterde de archeoloog op de ontcijfering van dit lettergrepenschrift, maar tevergeefs. Pas in 1952 gaf het jongere Lineair B, dat zich in de veertiende eeuw voor Christus manifesteerde, zich gewonnen. Er bleek het Oudgrieks achter schuil te gaan dat de Myceense beschaving gebruikte. Opmerkelijk was dat niet een graecus het raadsel oploste maar een uitenstaander: Michael Ventris, een toen dertigjarige Britse architect, had er in zijn vrije tijd vele jaren op gepuzzeld. Maar aan Lineair A, dat uit ongeveer negentig verschillende tekens bestaat, kwam hij niet toe: Ventris overleed nog datzelfde jaar.

gouden naalden

Sindsdien hebben geleerden en amateurs zich op het Lineair A gestort, maar tot een echte ontcijfering kwam het niet. Vanaf de jaren zestig breidde het corpus aan teksten zich uit: naast honderden kleitabletten zijn op Kreta offerstenen, bijlen, schalen, gouden naalden en kledingspelden met Lineair A-inscripties gevonden. Eerder had de Amerikaan Cyrus Gordon, specialist op het gebied van het Oegaritisch (dat vooral in de kuststreek van Syrië werd gesproken) en het Oud-Hebreeuws, geopperd dat het om een Semitische taal ging. Best: ``In twee artikelen in Antiquity beschreef Gordon in 1957 een aantal potnamen, die naast potafbeeldingen op een Lineair A-tablet uit paleis Hagia Trada aangetroffen waren, als Semitisch. In 1966 toonde hij aan dat pal naast een Lineair A-teken dat ook in Lineair B voorkomt en daar `graan' betekent, een Semitische graansoort stond geschreven. Tot aan zijn dood, maart vorig jaar, bleef Gordon nieuwe Semitische woorden in Lineair A-teksten identificeren, maar hij werd voor gek versleten. Met mijn publicatie in Ugarit-Forschungen toon ik aan dat Gordon gewoon gelijk had.''

De ontcijfermethode van Best berust op een aantal simpele constateringen. Best: ``Om te beginnen is driekwart van de Lineair B-tekens identiek aan die van het Lineair A. Ook bevattten de 25 procent nieuwe Lineair B-tekens primair klanken met de vocalen e en o. Verder komt de helft van de identieke Lineair A- en B-tekens al voor in het Kretenzische hiërogliefenschrift. In dat schrift zijn tekens aanwijsbaar die in het Luwische en Akkadische hiërogliefenschrift, geschreven in Klein-Azië en Mesopotamië en al lang en breed ontcijferd, ook al voorkomen en daar de vocalen i en u bevatten. De sleutel is dat je niet het jongere Lineair B met terugwerkende kracht moet opdringen aan het Lineair A, zoals Gordon deed om door de graeci geaccepteerd te worden, maar dat je beseft dat Lineair A nog klankwaarden heeft van de hiërogliefen. Vul je die in, dan ontstaat er ineens iets Semitisch. Het heeft dertig jaar geduurd en het was niet gemakkelijk om uiteindelijk op deze ontzettend simpele finale oplossing te komen. Iedereen kan nu willekeurig welke tekst in het Lineair A tot zich nemen. En om alle twijfel weg te nemen: toegepast op de zestien Lineair A-tekens op een eind jaren zeventig gevonden bronzen schaal leidt mijn aanpak tot de volgende grammaticale zin: `Arakos: de rand, Atadi bedekte dit in het Fenicisch'. Waarschijnlijk zijn Arakos en Atadi Anatolische namen. Het opduiken van het woord `Fenicisch' laat je geen enkele keuze: Lineair A is een Semitische taal.''

Niet iedereen is het daarmee eens. Kees Ruijgh, emeritus hoogleraar Griekse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam en een specialist op het gebied van Lineair B, steekt zijn kritiek niet onder stoelen of banken. ``Best is een charlatan. Hij neemt het mij kwalijk dat ik zijn ideeën niet accepteer en komt met aantijgingen gericht aan mijn adres. Zijn zogenaamde ontcijfering van het Lineair A, waarin hij een Semitische taal wilt zien, is taalkundig onhoudbaar en gratuit. Op die manier kun je met hetzelfde gemak afleiden dat achter het Lineair A Russisch schuilgaat. Het is volstrekt onwetenschappelijk en dat vind niet alleen ik, dat is ook het oordeel van semitisten. In een recensie van een eerder artikel van Best over Lineair A heb ik me zeer negatief uitgelaten en nu spaar ik me de moeite, het is het niet waard. Woordvormen die hij meent te zien kloppen eenvoudig niet met de historische grammatica van de Semitische talen. Best is onvoldoende taalkundig geschoold en hij heeft geen goed idee van het onderscheid tussen een schrift- en een taalsysteem. De reconstructie van de taal achter het Lineair A is absoluut niet gelukt. Veel Lineair A-teksten zijn in telegramstijl en bestaan voor ruim tachtig procent uit eigennamen. Dan kun je alle kanten op.''

Het conflict met Ruijgh en vele anderen heeft volgens Best alles te maken met de heersende ideologie onder de graeci. ``Kreta zou een eiland in splendid isolation zijn, waar Grieks geschreven werd. Dus is Kreta, met zijn Minoïsche beschaving die niet nader etnisch te definiëren is, de bakermat van de Griekse en daarmee westerse beschaving. Het Kretenzische schrift, kortom, is een authentiek Kretenzische vinding zonder schriftinvloeden van buitenaf. Sinds 1956, toen het Lineair B een Oudgrieks dialect bleek te zijn, schrijven graeci deze opvatting van elkaar over. Maar het klopt niet. In werkelijkheid is er al negentig jaar een onderstroom van geleerden die aantonen dat het Egyptische hiërogliefenschrift een enorme invloed op het Kretenzische hiërogliefenschrift heeft uitgeoefend waar het gaat om tekens voor koningen, paleizen, etcetera. Ook Luwische hiëroglyfen uit Anatolië en spijkerschrifttekens uit Palestina en Syrië zie je terug in de Kretenzische hiërogliefen. Archeologisch wordt dat gesteund door vondsten op Kreta van geboorde stenen vazen van Egyptisch type, daterend van even vóór 2000 voor Christus. Ook zie je ivoren driekantige zegels, met tekens uit Syrië en Palestina, en bruin op lichtgeel aardewerk dat we van die periode kennen uit Tarsus in Cilicië. Franse archeologen roepen al zestig jaar dat het paleis van Mallia op Kreta dezelfde soort plattegrond heeft als dat van Mari aan de Eufraat. Maar geen graecus die luistert. Men wenst Kreta af te dekken van de omgeving. In die fundamentalistische ideologie zouden Grieken op hun handelsmissies hoogstens leenwoorden hebben meegenomen, maar dat Feniciërs ook zelf voeren, komt niet bij ze op.''

Dat isoleren van Kreta komt volgens Best voort uit een superioriteitsgedachte, uit puur hellenocentrisme waarmee hij zich schaart in het kamp van Martin `Black Athena' Bernal. ``Kreta hoort bij het fantastische Griekenland. De klassieke Griekse beschaving was zo goed, die had geen invloed van buitenaf nodig, en dat geldt evenzo voor de late Bronstijd. Die verheerlijking van de Griekse cultuur in de geesteswetenschappen is eind achttiende eeuw begonnen met de Duitser Winckelmann en sindsdien hebben de graeci de macht overgenomen van de latinisten. Met alle respect, klassieke talen is geen wetenschappelijke studie. Als eerstejaars werd ons verteld dat we dubbel zo knap waren omdat we Grieks én Latijn studeerden. In de hiërarchie komen eerst de graeci, dan een hele tijd niks, dan de latinisten, weer een tijd niks, en dan pas semitisten, hettitologen, etcetera.''

peltasten

Best rondde zijn studie klassieke talen in Amsterdam af in 1966. Zijn leraar Grieks op het Barlaeus Gymnasium had hem ertoe aangezet. ``Op een dag, ik zal in de derde klas hebben gezeten, stonden we op het schoolplein te wachten toen Piet Reimer, onze leraar Grieks, met een rood hoofd kwam aanstormen. `Het Lineair B is ontcijferd! Het Lineair B is ontcijferd!', riep hij uit, `ik zie jullie het derde uur.' Laaiend enthousiast was hij erover en dat heeft een onvergetelijke indruk op me gemaakt. Na mijn studie heb ik een proefschrift geschreven over de invloed van de de Thracische Peltasten, de laagste en armste soldaten die er toen waren, op de Griekse wijze van oorlogsvoering. Dat was een stoutigheid. Ik had zo ontzettend tabak van de superioriteit van al die pedofiele Grieken dat ik wel eens de invloed van buiten wilde onderzoeken. Het onderwerp was kritisch bedoeld, maar gezien mijn cum laude ben ik bang dat dat niet is doorgedrongen.''

Na zijn promotie in 1969 begon Best een tweede studie. ``Ik wilde me toch iets van een wetenschappelijke methode eigen maken en ben toen met Mediterrane Pre- en Protohistorie begonnen, bij Willem Glasbergen. Die heeft me heel veel geleerd. Intussen was ik ook met Lineair A aan de slag gegaan en publiceerde in 1972 een boekje met een aantal voorstellen op basis van de ideeën van Cyrus Gordon: Some Prelimary Remarks on the Decipherment of Linear A. Dat viel totaal verkeerd, zelfs kreeg ik in 1974 een beroepsverbod. De faculteitsraad had besloten dat het niet op de weg lag van de vakgroep Oude Geschiedenis om zich bezig te houden met taalkundige aspecten van het Lineair A. Die wens was door twee graeci van de Akademie van Wetenschappen, Kamerbeek en Ruijgh, naar beneden toe verordonneerd. Mijn Lineair A-onderzoek zou een onwetenschappelijk karakter dragen en ook was ik niet professorabel. Ruijgh en Kamerbeek vormden de top van de pikorde en omdat de anderen meer in hun carrière geïnteresseerd waren dan in wetenschappelijke ontdekkingen, hielden ze zich gedeisd. Ik heb toen samen met Glasbergen de Henri Frankfort Stichting opgericht en die kreeg van ZWO, de voorloper van NWO, subsidie voor Lineair A-onderzoek. Zo erg was de terreursfeer aan de Amsterdamse letterenfaculteit dat mijn medewerker bij dat ZWO-project zei: `Jij weet dat Linair A Semitisch is, ik weet het, maar vraag me nooit het in het openbaar te bevestigen, want ik heb vrouw en kinderen en nog geen vaste aanstelling'.''

Vanaf 1975 werkte Best mee aan een opgraving in Djadovo in Bulgarije, met het doel de etnogenese van de Thraciërs te onderzoeken. In 1980 werd hij in Wenen geïnstalleerd als secretaris-hoogleraar van het Unesco-comité voor Thracologie `Wilhelm Tomaschek'. In dat kader stond hij aan de wieg van de tentoonstelling `Het goud der Thraciërs' in 1984 in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Maar het Lineair A bleef trekken en samen met zijn leerling Fred Woudhuizen publiceerde hij Ancient Scripts from Crete and Cyprus (1988) en Lost Languages from the Mediterranean (1989). Intussen was bij Best thuis een brief bezorgd met het aanbod op zijn vijftigste op wachtgeld te gaan. Best: ``Ik heb me geen moment bedacht en heb diezelfde avond nog getekend. Na vijf jaar aftellen kon ik in 1991 weg. Sindsdien werk ik regelmatig in het buitenland, dan ruil ik van huis met een collega. Na mijn vertrek van de universiteit had ik eindelijk de rust om na te denken en kwamen de ideeën die nu in Ugarit-Forschungen staan gepubliceerd. De Lineair A-zin op die bronzen schaal had ik al eerder bekeken, maar toen was ik met de analyse van twee graeci meegegaan. Ten onrechte. Het is een zin zonder interpuncties, maar de schrijver meandert zó in die regel je hebt een vergrootglas nodig om het goed te zien dat je de woordscheidingen eruit kunt halen door naar de lengte van de doorgetrokken lijnen te kijken. Dat systeem kende ik uit het Kretenzische hiërogliefenschrift en het is in het Lineair A overgenomen.''

Bests analyse van de bewuste Lineair A-zin op de bronzen schaal kan in de ogen van de Leidse assyrioloog Wilfred van Soldt geen genade vinden. Van Soldt kent Best nog uit de tijd dat ze samen in Amsterdam zaten. ``In 1984 heeft Ruijgh me gevraagd naar een publicatie van Jan Best te kijken. Zelf liet hij zich er sceptisch over uit en hij vroeg mij om scheidsrechter te spelen. Ook ik had grote bezwaren. Uit elke Semitische taal die Best maar kan vinden plukt hij abstruse woordjes, vergezochte vormen die ten dele uit het Sumerisch komen. In die publicatie in Ugarit-Forschungen is dat ook het geval. Wat die inscriptie betreft: ik heb zelden zulke rare dingen bij elkaar gezien. Van de klankregels die Best gebruikt klopt weinig en het resultaat is een nonsensicale zin: `Arakos: de rand, Atadi bedekte dit in het Fenicisch'. De grammatica klopt van geen kant, een Semitist herkent het absoluut niet als Semitisch. Bovendien komt Best met Semitische woorden die een vroegere leerling van hem op goede gronden tot eigennamen heeft bestempeld. En wat de contacten met het Luwisch en het Akkadisch betreft: het Luwisch beleefde zijn bloeitijd in de negende, achtste eeuw voor Christus, veel te laat dus, en de drie voorbeelden die Best aandraagt voor contact met het Akkadisch deugen ook niet. Eigenlijk is er maar één teken uit het Akkadisch dat je ook in het Lineair A ziet, veel te weinig om van contact te kunnen spreken. Ik heb regelmatig met Best gesproken maar hij is niet op andere gedachten te brengen. Ugarit-Forschungen is beslist een gerespecteerd blad maar bij het accepteren van artikelen zijn ze, vind ik, te toegeeflijk.''

sigaartje

Best is niet onder de indruk van alle kritiek. ``Ik onderwerp me niet aan hun regels, aan hun gezag, aan hun ideologie. Een keer zat ik 's avonds bij Kees Ruijgh, sigaartje, pilsje, heel gezellig. `Jammer dat je niet met Thracië bent doorgegaan', zei hij. `We hadden je hoogleraar in Groningen willen maken.' Toen ik daar niet volgens de regels op reageerde hoorde je hem tandenknarsen. Het is een haat-liefdeverhouding, van twee kanten. En het is moeilijk voor ze te verteren als Kreta opeens wordt beschreven als een economie waar meerdere bevolkingsgroepen aan dezelfde handel verdienden. Als je op een ideologie bent geënt van een superieur, raszuiver volk is dat wel even een ander wereldbeeld.

``Mijn vraagstelling is een historische. Waarom is er rond 2000 voor Christus opeens een hoogstaande cultuur op Kreta? Het Kretenzische hiërogliefenschrift levert het antwoord. De eerste koningen beginnen met simpele regels waarin ze zich als bronssmid aanprijzen. Later, als de teksten wat netter geschreven worden, afficheren ze zich als koning, waarbij ze op een overdreven manier Egyptische titels gebruiken. Laat nu rond 2000 voor Christus de hele oriënt zijn overgestapt van arseenbrons op tinbrons, een materiaal dat sterkere zwaarden opleverde. Maar tinmijnen had je alleen in Afghanistan, Cornwall en de Bohemen. In mijn visie wilden de mensen op Kreta hun zaakje draaiende houden via expansie. Dat moet een enorm netwerk geweest zijn. Als schakel tussen tinproducenten en tinconsuenten, op een geografisch gebeitelde positie, waren ze monopolist en iedereen uit de regio probeerde een graantje mee te pikken. Dat historische perspectief ga ik in een Egyptologisch tijdschrift publiceren, maar niemand die het wil horen. Men zit absoluut niet te wachten op Semitische invloeden op de bakermat van de Europese beschaving, zijnde Kreta.''

De Leidse slavist en vergelijkende taalwetenschapper Willem Vermeer is een van de weinigen uit de academische wereld die zich niet zonder meer negatief uitlaten over de aanpak van Best. ``Zoeken naar een Semitische connectie is een van de mogelijkheden, ik kan me voorstellen dat Best die probeert te vinden. Maar of het wat oplevert? De avontuurlijke aanpak van Best keur ik niet af, en af en toe op je bek gaan is niet erg. Maar Ruijgh is niet de hellenocentrist die Best van hem maakt, wat dat betreft dramatiseert hij zijn positie. Het zal zijn gedrevenheid zijn. In het wereldje van het Lineair A is men gewend om valkuilen voor elkaar te graven. Iedereen verklaart iedereen voor gek, op de kleinste details word je afgerekend. Het is een sociaal nogal gedesintegreerde wereld.''

Intussen zit Jan Best met een prangende vraag. ``Hoe kan het dat dezelfde mensen die mij als student tot drie keer toe als briljant omschrijven, die drie keer cum laude geven, mij van de ene op de andere dag voor gek verklaren?'' Kees Ruijgh weet het antwoord. ``Als student klassieke talen was Jan Best echt wel begaafd. Hij wilde een tweede Michael Ventris worden, maar dan voor het Lineair A. Dat heeft zich in zijn hoofd vastgezet en dat is niet meer overgegaan.''