Arts en politiek

Heeft inspecteur-generaal Kingma voor de gezondheidszorg zich ongelukkig uitgedrukt, toen hij voor de televisie opperde dat artsen de behandelrisico's van hun potentiële `intensive care'-patiënten scherper moeten calculeren voordat ze aan een ingrijpende behandeling beginnen? Of heeft de hoogste man in het staatstoezicht op de volksgezondheid zijn mond voorbijgepraat en een sluimerende gedachtegang onthuld? Kingma zelf houdt het op het eerste. Hij heeft gezegd noch bedoeld dat artsen op leeftijd moeten selecteren. Kingma heeft slechts gepleit voor een ,,goede medische indicatiestelling''. Geldgebrek noopt immers tot ,,keuzes''. Maar in acute gevallen moet de arts ,,altijd kunnen helpen, jong of oud, arm of rijk'', zei hij nadat er een stormpje was opgestoken over zijn uitlatingen. Er is geen reden hem niet te geloven. Kingma, ex-voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten, is zelf arts en gepokt en gemazeld in de eed van Hippocrates. Van zijn hart heeft hij nooit een moordkuil gemaakt.

Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd over dit maatschappelijk beladen onderwerp. De capaciteitsproblemen op de ic's in ziekenhuizen behoren tot de schrijnendste uitingen van de crisis in de Nederlandse gezondheidszorg. De wachtlijsten, waarover iedereen zich het hoofd brak, lenen zich nog tot nuanceringen. Minister Borst (D66) deed dat vorig jaar bijvoorbeeld toen ze haar gebrek aan succes bij het wegwerken van de rijen onder meer toeschreef aan het feit dat bejaarden zich soms melden voor een knie-operatie omdat ze aan een tennistoernooi willen blijven meedoen. Daar is niets mis mee, bedoelde de minister, maar het bewijst wel dat de technologische vooruitgang de budgettering van de medische zorg onder druk zet.

Als het gaat om intensive care is deze benadering echter minder verstandig. Selectie aan de poort leidt namelijk tot `tweedeling' en is dus politiek niet uit te leggen. Wie utilitarisme in de zorg bepleit, kan in Nederland zijn biezen pakken. Borst begreep dat afgelopen najaar. Nadat ze eerst had laten weten geen aanwijzingen te hebben dat er mensen onnodig waren gestorven door plaatsgebrek, ondernam ze een paar weken later toch actie omdat er tegenstrijdige geluiden opdoken. Een speciale stuurgroep kwam bijeen en de inspectie stuurde een brandbrief aan alle ziekenhuizen in het land. De intentie was zuiver. Maar de werkwijze illustreerde ook dat het departement in Den Haag weinig zicht heeft op de toestand in de meeste ziekenhuizen. Omdat de meeste hete hangijzers worden gedelegeerd aan de verzekeraars en in mindere mate aan het medische veld, loopt het ministerie vaak achter de feiten aan.

Over vier maanden zijn er verkiezingen. De erfenis van paars is daarbij de inzet en dus ook het beleid van vice-premier Borst, die nu ruim zeven jaar onafgebroken de scepter zwaait over de gezondheidszorg. Aan de orde is met name de vraag of het principe dat alle Nederlanders gelijkwaardig zijn in de zorg nog kan worden gehuldigd. In morele zin beweert bijna niemand het tegendeel. Materieel ligt het gecompliceerder. Dit uitgangspunt is inderdaad een groot goed, maar verdient wel een eerlijke verdediging. De onhandige formulering van de inspecteur-generaal doet vermoeden dat het ministerie van volksgezondheid in de greep is van twijfel en mogelijk zelfs cynisme. Zo'n stemming bevordert de besluitvaardigheid niet.

De toekomst van de zorg is derhalve geen onderwerp meer voor een Kamervraag meer of minder, doch voor meningsvorming op een hoger politiek niveau. Daarmee zijn de problemen niet de wereld uit. Maar de tijd dat de gezondheidszorg zich via bezweringsformules, stuurgroepen en rapporten liet regisseren is voorbij.