Wanbeleid dwingt ook leraar tot sabotage

Niet alleen bij de NS wordt gesaboteerd. Het wanbeleid op onderwijsgebied verleidt ook leraren tot sabotage. Dat wanbeleid is begonnen onder de vorige minister van Onderwijs, Netelenbos. Het wordt tijd dat iemand haar prestatiecontract evalueert, meent Ton van Haperen.

De personeelsdirecteur van de Nederlandse Spoorwegen haalde de krant met de opmerking dat machinisten en conducteurs zich schuldig maakten aan sabotage. Het ging weliswaar om een kleine minderheid, maar die zorgde er wel voor dat de afgesproken doelstelling niet werd gehaald, waardoor de directie moest opstappen. Oud-president-commissaris Timmer kleurde het beeld van saboterend personeel verder in, door uit te halen naar de zogeheten collectieven. Geschrokken Kamerleden zeiden in het programma Buitenhof dat recalcitrante werknemers ontslag verdienen.

Deze verontwaardigde reacties suggereren dat bij de NS iets unieks aan de hand is. Niets is minder waar, ook in het onderwijs is sabotage normaal. Het valt misschien minder op omdat onderwijsdoelstellingen moeilijker meetbaar zijn dan treinvertragingen, de diversiteit in scholen het totaalbeeld belemmert en ouders niet altijd naar buiten durven treden. Blijft staan dat leraren beleid niet uitvoeren en hun werk vaak slecht doen. De inspectie constateert het keer op keer. In de rapportage van de basisvorming heten de lessen saai, bij het studiehuis zijn ze `armoedig'.

Politici, bestuurders en directies weten dit ook, maar omdat zijzelf onderdeel van het probleem zijn houden ze angstvallig de kaken op elkaar. Het zijn de kinderen die de prijs betalen voor dit zwijgen. Zij worden gefrustreerd in hun ambities en krijgen in het voortgezet onderwijs niet de kans zich te ontwikkelen op de manier die past bij hun mogelijkheden. Bovendien staat onze welvaart op het spel. Alleen een goed onderwijsbestel houdt een versnellende kennis- en informatiesamenleving overeind.

De neergang van het onderwijs vertoont overigens opvallend veel overeenkomsten met de soap op het spoor. De ingrediënten zijn hetzelfde: onuitvoerbare vernieuwing, overwaardering van sturing en dédain jegens ambachtelijkheid. Zo gaat het met de grote onderwijsvernieuwingen van acquit mis. De basisvorming mislukt wegens ambitieuze doelstellingen, interne tegenstrijdigheden en budgettair neutrale invoering. Het studiehuis is eenzelfde lot beschoren. Zelfstandig leren komt niet van de grond. Veel scholen vallen terug op ouderwets klassikaal onderwijs. Dit ontwijken van beleid wordt gedoogd. Vrijheid van onderwijs beperkt de reikwijdte van het overheidshandelen en de huidige bewindslieden beseffen dat een ramkoers belachelijk is. Dat betekent wèl dat leraren werken in een omgeving die niet werkt. De desintegratie neemt toe door overdreven aandacht voor sturing. Managementdenken en schaalvergroting veroorzaken een kloof tussen denkers en doeners.

In vroeger dagen werd het verschijnsel verborgen werkloosheid uitgelegd aan de hand van de situatie in het Oostblok – daar zaten ze met zijn vieren op een tractor. Nu is de school zèlf het lachertje. Het werk dat een conrector tien jaar geleden in zijn eentje deed, is momenteel een flinke kluif voor vier volwassen krachten. Het aantal middenkaderfuncties stijgt nog steeds. De totale sector bestaat uit drieëneenhalf miljoen gebruikers en driehonderdvijftigduizend werkenden. Een snel rekensommetje leert dat een klas slechts tien leerlingen hoeft te hebben. Zeker, dat is wat kort door de bocht, maar groepen van boven de dertig zijn bij deze getalsverhouding eveneens absurd. Daar komt bij dat de kantoren overvol zitten, terwijl kinderen dagelijks naar huis gestuurd worden vanwege lesuitval. Hier rest slechts één conclusie: de prioriteiten in het onderwijs zijn verkeerd geordend.

Kwalitatief slechte vernieuwingen en structurele onderwaardering voor het ambachtelijke werk in de klas hebben de leraar veranderd. Hij is vaker ziek en overleeft door dingen niet te doen. Zijn falen legitimeert hij door te wijzen op de chaos om hem heen. Zo werd met de invoering van het studiehuis de klassenleraar afgeschaft, want het klassikaal onderwijs zou verdwijnen. Daarvoor in de plaats kwam de mentor, die een kleine groep zou begeleiden bij zelfstandig leren en oriëntatie op de vervolgopleiding. Na een jaar proberen bleek één uur per week met één docent en twaalf leerlingen te duur. De groepen werden snel groter, de begeleiding minder en geen mentor die het nog serieus neemt.

Van het een komt het ander en de glijdende schaal treedt in werking. Collegiaal overleg hoeft niet vanwege de hoge werkdruk. Zelfstandig werken resulteert in monotoon invullen van werkboeken. Samenwerkend leren betekent herrie en soms gooit de leraar zelfs demonstratief de handdoek in de ring. Hij laat de boel de boel, rekent af met het proefwerk en beweert zelfsturing te bevorderen. Natuurlijk, directies moeten hier iets aan doen. Maar wat? Berispen? Ontslaan? Bij het huidige lerarentekort is dat zinloos. Een beter schoolbeleid dan? Helaas, het masterplan bestaat niet. Bovendien werkt invoering vaak contraproductief. Een scholengemeenschap in de randstad schrijft centraal voor hoe lang een leraar aan het woord mag zijn. Na een kwartier instructie begint in het hele gebouw het zelfstandig werken. Waanzin. Werkvormen bepalen is de taak van de leraar, die is daar voor opgeleid.

Dat de handen van schooldirecties en inspectie jeuken is begrijpelijk, maar handelend optreden heeft pas zin na wezenlijke verandering. Vernieuwingen moeten zo worden aangepast dat ze inhoudelijk zinvol en uitvoerbaar zijn. Gelukkig wordt daar door de staatssecretaris aan gewerkt. Veel gevaarlijker is het geringe aantal mensen voor de klas, dat bereikt een kritische grens. Aanwas van buiten is er niet en dus rest een interne oplossing. Minder denkers, meer doeners; managers moeten voor de klas. Voor zittende leraren betekent dat taakverlichting en waardering, managers ontwikkelen begrip voor problemen van de werkvloer en de lesuitval loopt terug. De druk gaat van de ketel, de aandacht naar waar die hoort: de kinderen.

Bij de NS escaleerde het arbeidsconflict toen het management een weekeinde een groot hotel afhuurde om daar een feestje te bouwen. Dit maakte de tegenstellingen in het bedrijf aanschouwelijk, de radicale collectieven wonnen aan kracht en het arbeidsconflict escaleerde. Het onderwijs heeft de laatste jaren spannende momenten gekend, maar zo uit de hand liep het nooit. Daardoor kan de rottigheid onder het tapijt blijven en wordt de urgentie van beleidsbijstellingen niet altijd onderkend. Saillant detail is overigens dat minister Netelenbos nu doortastend optreedt bij de NS. In haar vorige functie was zij warm pleitbezorger van basisvorming, studiehuis en decentralisatie. De meltdown van het voortgezet onderwijs zette in onder haar verantwoordelijkheid. Wie evalueert eigenlijk haar prestatiecontract?

Ton van Haperen is leraar en lerarenopleider.