Verborgen verdriet is het hoogste

Het voornaamste gereedschap van de toneelsper is zijn verbeeling, doceert Johnny Kraaijkamp. ,,Ach, dat is maar een eenvoudige wijsheid van de oude Kraaij, misschien is het helemaal niet waar.''

`Het woord `toneelspeler' is eigenlijk een verkeerd woord'', zegt komediant en acteur Johnny Kraaijkamp, die dit voorjaar zevenenzeventig wordt. 'Als je op het toneel staat ben je met behulp van je spel een verteller van verhalen aan de toeschouwers.''

De middag na de première van De Huisbewaarder (The Caretaker, 1960) van Harold Pinter is Kraaijkamp een ernstig man. ,,Er werd weinig gelachen gisteren bij de voorstelling, dat was in Engeland anders'', vergelijkt hij zijn eigen voorstelling en de Londense met Michael Gambon in de hoofdrol. ,,Ik heb een serieuze toon aangeslagen en dat past beter. Bovendien vond ik de Engelse hoofdrolspeler die avond niet goed, veel te barok voor zo'n beklemmende rol. Maar dat zal de ene speler altijd over de ander zeggen: hij is niet goed. De allermoeilijkste zin om te zeggen is: `Hij is beter dan ik.''' En meteen wuift Kraaijkamp deze woorden weg en voegt er bijna verontschuldigend aan toe: ,,Ach, dat is maar een eenvoudige wijsheid van de oude Kraaij, misschien is het helemaal niet waar.''

Het ascetisch ingerichte huis dat Kraaijkamp op de rand van Amsterdam-Zuid en Buitenveldert bewoont, biedt uitzicht op bomen en een smalle vaart. De vloer is belegd met roze tegels, de strakke muren zijn witgesaust. Op het moment dat Kraaijkamp opkwam in de Haarlemse Schouwburg fluisterden de toeschouwers, elkaar aanstotend: ,,Daar heb je Kraaijkamp.'' Op het toneel ziet hij er zowel innemend als indrukwekkend uit, met zijn onweerstaanbare expressie op het gezicht en een verwarde bos haren. Hij vertolkt de rol van Davies, een zwerver die uiteindelijk vergeefs bij twee bizarre figuren om huisvesting vraagt.

Nu, in huis, lijkt Kraaijkamp kleiner van gestalte, gedrongener. Ik zeg hem dat mijn ogen tijdens de voorstelling aldoor naar Davies werden getrokken, Kraaijkamp dus, al lag op die momenten het dramatische accent bij zijn twee tegenspelers, Geert Jan Romeijn en Mark Ram. Wat is het geheim van zijn spel?

Op bijna docerende toon antwoordt Kraaijkamp: ,,Het geheim van een acteur bestaat uit zijn verbeelding. Een toneelspeler zonder fantasie existeert niet. Ook dat is maar een eenvoudige waarheid van me, take it or leave it. Er zijn spelers die een paar maanden in een gekkenhuis gaan wonen om te weten hoe een gek te spelen. Dat heb ik niet nodig. In mijn verbeelding zie ik een gek of in dit geval een zwerver als Davies praten, bewegen, ik hoor hem denken, ik zie hem voor me. Acteren is het drukken van een stempel op je persoonlijkheid. Kijk, als u 's morgens hier door het raam zou kijken, dan zou u een oude man zien die voorzichtig, voetje voor voetje, over de plavuizen schuifelt, bang om te vallen. Dat is ook een onderdeel van mijn persoonlijkheid, of liever: een gevolg van mijn ouderdom. Op het toneel transformeert die persoonlijkheid tot een hoger niveau. Het leven is beter op het toneel. Ik ga rechter lopen, ik schuifel niet maar beweeg me met ferme pas, ik word groter.

,,Het is een verkeerde gedachte te denken dat ik als acteur in de huid van een ander kruip. Ik benader mijn rol via de taal. De man op het toneel is een ander dan ik. Ik zou me nooit zo vernederen zoals die zwerver. Ach, het is eigenlijk net als vissen. De visser vist en tuurt naar zijn dobber. Opeens heeft hij de vis. Dan is het voorbij. De sensatie van De Huisbewaarder destijds kwam voort uit de specifieke stijl. De spelers herhaalden woorden tot wel tien keer toe, Pinter liet hen praten in onaffe zinnen en versprekingen. Een verspreking is de bloeddruppel van het vak. Zoiets deed ik altijd al, ook als komediant. Ik ben bar-entertainer geweest, ik was zoals ik het noemde een `fantasist'. Een man die zegt: `Ik ben een lange tijd niet naar de Hema geweest', die is niet interessant. Zegt hij daarentegen: `Het is lang geleden dat ik in de Hema was, ja, ik moet weer eens naar de Hema, want als je lang niet bij de Hema bent geweest dan weet je niet wat de Hema is, ik moet toch weer eens naar de Hema.' Dan ontstaat humor. Ik heb met mijn vrouw weleens onenigheid over helemaal niks, net zoals die mensen in Pinter. Het gaat over een keukenkastje. Ik kan mezelf nog op korzelige toon horen zeggen: `Waarom heb je het keukenkastje niet dichtgedaan, je ziet toch dat het openstaat, dat kastje, en als je ziet dat het keukenkastje openstaat dan moet je het kastdeurtje dichtdoen.'''

Kinkerbuurt

Kraaijkamp vindt van zichzelf dat hij een eenvoudige carrière heeft gehad. Als kleine jongen bracht hij op een straathoek in de Kinkerbuurt kleine sketches om de voorbijgangers aan het lachen te maken. Hij had een prachtige sopraan die hem een gevaarlijke concurrent voor Willy Alberti maakte. In Amsterdamse etablissementen als Café de Paris en Place Pigalle aan het Rembrandtplein was hij entertainer. Hij haalt herinneringen op die hem nog steeds vrolijk stemmen: ,,Meestal zong in zo'n tent een `noodlottig kijkende dame die in het Engels vertelt dat haar alweer een minnaar is ontvallen', zoals Carmiggelt het eens omschreef. Ik moest de mensen aan het lachen brengen. Dan zei ik tegen een vrouw die met haar echtgenoot was: `Heb ik u hier gisteren ook gezien? Maar dan met een andere man...' Dat leidde tot grote ontsteltenis bij haar man en tot hilariteit bij de klandizie. Of we gingen uit stelen, de barkeeper en ik. Dan zeiden we tegen het publiek: `U bent nu getuige van een misdaad.' Kwamen we terug met een fiets of wie weet een wasmachine. Met de politie van het bureau van de Halve Maansteeg maakten we de afspraak dat zij ons kwamen arresteren. Ja, die dingen.''

Kraaijkamp ontdekte zijn talent om mensen te vermaken toen hij nog op de zondagsschool zat. Alle kinderen vormden een sloepje, behalve de kleine Johnny. Hij moest zich aan een denkbeeldig touw vasthouden. Hij doet het voor, midden in de huiskamer. De kinderen zongen `Vaarwel, vaarwel', vertelt Kraaijkamp, en hij liep achter hen aan. Zijn gezicht verandert meteen in dat van een klein kind. Dezelfde schuldeloze en tegelijk verbaasde uitdrukking in de ogen. Hij gaat weer zitten in de rode bank met grote kussens en zegt: ,,Ik heb niet één, maar wel tien personages in me. Ik ben een geboren waarnemer, dat moet als speler. Wanneer je op een terras een man aandachtig ziet kijken naar voorbijgangers, dan is het ofwel een man op de versiertoer ofwel een toneelspeler. Die laatste observeert hoe een man of vrouw loopt, beweegt, praat. Hetzelfde geldt voor een schilder. Wanneer hij een naaktmodel schildert, dan mag hij niet denken: `Wat een mooi stuk vrouw is dat.' Zijn ambacht vereist dat hij haar met afstandelijke blik bekijkt, want het gaat om het schilderij en niet om de erotische gevoelens van de schilder.'' Meteen daarop voegt Kraaijkamp eraan toe: ,,Ik ben nu een oude man, misschien zeg ik daarom wel dat het niet om de erotiek van de schilder gaat.''

Berend Boudewijn, regisseur van De Huisbewaarder, bevestigt Kraaijkamps verlangen om door eindeloos uit te proberen een karakter gestalte te geven. Het is zinloos bij Kraaijkamp iets voor te doen, hij wil het zelf ontdekken. Kraaijkamp gaat hierop verder: ,,Het geheim van een komediant is om het publiek de humor te laten ontdekken. Toen vroeger ome Piet bij ons over de vloer kwam, wilde hij per se leuk zijn. Ik vond hem vervelend. Ome Henk was veel leuker, want hij wist niet dat hij grappig was. Zo werkt het. Het is een kwestie van raadselachtigheid. Pinter laat zich niet ontdekken, daarom blijft hij zo boeiend. Als kleine jongen hield ik van de sentimentele opera, Tosca, La bohème. Wij waren arm. Mijn vader trok van de steun, kreeg tien gulden vijftig per maand. Mijn moeder had een werkhuis in de Zocherstraat. Ik raapte als ballenjongen tennisballen in het Vondelpark en het Kattenlaantje. Ik kreeg een dubbeltje per uur, dus na acht uur kon ik tachtig cent aan mijn ouders geven. Toen mocht ik eens een keer van mijn vader naar de opera. Ik zal het nooit vergeten, de opera. Zelf speel ik de contrabas. In Zwitserland reisde ik na de oorlog mee in een amusementsorkest. Tijdens een concert tuimelde het instrument op de grond. De mensen moesten lachen om de schrikreactie die zich op mijn gezicht aftekende. Vanaf dat moment maakte ik een act tussen de muziekstukken in. Ik hield korte conferences, gaf uitleg en werd zo de showman van het orkest.''

Tragisch

Een komediant is Johnny Kraaijkamp, natuurlijk. Dat zal hij tot zijn laatste snik blijven. Zijn timing is befaamd. Het recept schuilt in een zangrijke behandeling van de taal en de kunst een trefzeker woord nét een tikkeltje later te laten vallen. Zijn carrière draaide honderdtachtig graden toen regisseur Franz Marijnen van het Rotterdamse Ro Theater hem eens op de televisie zag. Dat was in 1979. Al was het in een komieke sketch, Marijnen zag de tragicus in Kraaijkamp. Hij zocht een acteur voor een van zwaarste toneelrollen uit het literaire repertoire, Koning Lear van Shakespeare. De oude koning die de liefde van zijn dochter in de wind slaat en als een waanzinnige over de heide gaat dwalen. Marijnen vroeg Kraaijkamp, die na veel aarzelen toezegde. Het werd een legendarische voorstelling, men sprak over `de Lear van Kraaijkamp'. Ik vraag hem of het een grote stap was.

Kraaijkamp: ,,Tussen het komische en het dramatische is slechts een verschil van een nuance, zoals alles op het toneel een zaak van nuances is, soms zelfs minimale. De kunst is om in de humor altijd iets van tragiek te laten meeklinken en omgekeerd. Ik heb maanden gestudeerd op de verzen van Shakespeare. Hij is evengoed een schilder als een schrijver. Ik was heel bang vlak voor de première. Ik zag al die mensen de zaal binnenkomen, intellectuelen, Shakespeare-liefhebbers en boekenlezers. Nu heb ik niets tegen intellectuelen en boekenlezers hoor, helemaal niet. Maar boekenwijsheid is geen levenswijsheid. Levenswijsheid komt uit ervaring voort, dat wat het leven je leert. Goed, ik heb mijn kostuum aan en tuur door een kier in het gordijn de zaal in. Ik zie die mensen tegen elkaar zeggen: `Dat wordt niets, Kraaijkamp als Lear... ondenkbaar.' Ze schudden bij voorbaat al het hoofd, trekken een somber gezicht. Ik draai me om, trek in de kleedkamer mijn kostuum uit. `Ik doe het niet', zeg ik tegen mezelf, `ik weiger.' Ik kijk door het raam naar buiten en aan de overkant drinkt een man een kopje koffie. Die weet van niets. Hij heeft me gered, ik dacht: `Zonder Kraaijkamp draait de wereld ook gewoon door.' Ik ben opgegaan en heb de rol gespeeld. Mijn gezicht was beplakt met rubber, wat voor mij, een acteur die afhankelijk is van zijn mimiek, moeilijk is. Tijdens de voorstelling kwamen er barsten in het rubber, het werd craquelé. Dat was een prachtig beeld van de veroudering van Lear.''

Over Kraaijkamp is beweerd dat hij, in tegenstelling tot zijn collega Rijk de Gooyer, geen onhebbelijke rollen kan spelen. Hij zal en moet altijd innemend zijn. Kraaijkamp verzet zich fel: ,,Ik droom van een grote rol over een slechte man, en dat is De Vrek van Molière. Het is een bedenksel van een ander dat ik altijd aardig en leuk wil zijn. De zwerver uit De Huisbewaarder is op een gegeven moment heel gemeen. Hij valt uit tegen Aston, die geestelijk niet spoort en die in het gesticht elektroshocks heeft moeten ondergaan. Op een gegeven moment zegt hij: `Ik heb niet in het gesticht gezeten, ik ben niet gek, ik heb op mijn hoofd geen tang gehad.' Ik zeg het hem niet recht in zijn gezicht, maar zo, als terzijde, meer voor mezelf. Alsof ik hardop denk. Dat komt nog harder aan, want ik richt me eigenlijk tot het publiek. Had ik hem aangekeken, dan was het boosaardiger geweest maar niet dramatischer. Nu is het dramatisch.

,,Ik moet wel bekennen dat ik compassie heb met een zwerver zoals Davies. In Parijs kon ik altijd jaloers zijn op de clochards die op een stuk karton lagen te slapen. Hun enige zorg was de fles die ze angstvallig beschermden. Het is de verlokking van de onverantwoordelijkheid die mij aantrok. Zij zijn de nuttelozen van de nacht, zij hebben geen persoonlijkheid meer, zij zijn zichzelf. Degeneren is niet altijd een eigen keuze. Dat kan iemand overkomen. Aan de nuttelozen ligt verborgen verdriet ten grondslag en dat interesseert me. Verborgen verdriet op het toneel uitbeelden is het hoogste wat een acteur of komediant kan bereiken. Het hart van de toeschouwer moet openscheuren. Ik heb weleens gezegd: `De echte komediant deelt het brood niet uit, hij creëert honger.'''

`De Huisbewaarder' van Harold Pinter door Joop van den Ende Theaterproducties. Tournee t/m 1 juni. Inl.: 0900-3005000 of www.musicals.nl.