Kerk en staat

Het kost soms moeite om het te geloven we hebben net de christelijke feestdagen achter de rug, inclusief een christelijk getoonzette toespraak van het staatshoofd, we leven in een tijd waarin het ene na het andere prinselijke huwelijk kerkelijk wordt ingezegend en waarin we publieke discussies mogen meemaken over de mate van oecumene in de respectievelijke kerkdiensten, ik heb zojuist met verbijstering geconstateerd dat de minister van Financiën echt `God zij met ons' heeft laten graveren in onze 2 euromuntstukken maar wij hebben in Nederland het beginsel van scheiding van kerk en staat. Is dat een principe voor de eeuwigheid?

Als warm aanhanger van dat principe hoop ik van wel, maar zoiets weet je in een democratie nooit zeker. Het is denkbaar dat religieuze medeburgers van orthodox-protestantse snit ons ooit nog eens herkerstenen en ons ervan weten te overtuigen dat het de moeite waard zou zijn om de speciale historische band tussen Nederland en het calvinisme constitutioneel te verankeren. Het is ook denkbaar dat nieuwe moslim medeburgers, wellicht verenigd in een nieuwe politieke partij, ons weten uit te leggen dat zij zonder Allah niet zalig kunnen worden en dat Allah het op zijn beurt zonder actieve steun van de Nederlandse overheid niet redt. In een democratie is geen enkel principe volstrekt onbespreekbaar. Dat geldt voor de hypotheekrenteaftrek, voor de vrijheid van onderwijs, voor het stakingsrecht, voor het recht op privacy en voor het principe van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het geldt ook voor de vrijheid van godsdienst en voor de scheiding van kerk en staat. Overal moet in beginsel over gediscussieerd kunnen worden. (Toegegeven, dit is een uitgangspunt dat we ons in Nederland anno 2002 kunnen veroorloven. Ik weet niet of ik er volmondig aan zou blijven vasthouden als de SGP al een flink eind op streek zou zijn met haar bekeringsarbeid).

Een heel andere vraag is hoe de overheid ervoor kan zorgen dat nieuwkomers zo snel mogelijk ingeburgerd raken in ons land. Burgemeester Cohen van Amsterdam zei hierover in zijn nieuwjaarstoespraak het volgende (NRC Handelsblad, 4 januari): ,,Er lijkt een opmerkelijk verschil te zijn tussen autochtonen en allochtonen; voor de laatsten speelt religie vaak een grote rol, een rol die als bindmiddel in de samenleving niet moet worden onderschat. Sinds geruime tijd besteedt de overheid in dit land aan de rol van religie geen aandacht [...]. Maar het is de vraag of de overheid, overigens met inachtneming van [de scheiding van kerk en staat] niet meer oog zou moeten hebben voor deze rol van de religie, juist omdat het als bindmiddel zo'n belangrijke rol speelt. De integratie van sommige bevolkingsgroepen in onze samenleving verloopt nu eenmaal via hun godsdienst. Willen we de dialoog met elkaar gaande houden, dan moeten we hoe dan ook de religieuze infrastructuur erbij halen. Zonder moskeeën, tempels, kerken en synagogen lukt het niet.'' Alleen Cohen weet wat hij bedoelt met inburgering via de religie onder gelijktijdige handhaving van de scheiding van kerk en staat. Wat moet de overheid dan gaan doen? Imams naar een inburgeringscursus sturen waar ze worden ingevoerd in de prachtige verworvenheden van de liberale democratie? De moskee gebruiken om voorlichting te geven over Nederlandse waarden en normen, zoals Mohamed Sini, voorzitter van de Stuurgroep Islam en Burgerschap, suggereert (in de Volkskrant, 3 januari j.l.)? Strategisch gebruikmaken van de religie van nieuwkomers is per definitie een inbreuk op de scheiding van kerk en staat, zou ik zeggen.

Een overheid die nieuwkomers wil laten inburgeren in de Nederlandse samenleving moet hen vertrouwd maken met de thans geldende spelregels en principes, met inachtneming van de mogelijkheid dat de nieuwkomers, eenmaal ingeburgerd in onze democratie, op voet van gelijkheid mogen meepraten over de wijziging van die principes. (Voor een uitgebreidere politiek-theoretische onderbouwing van deze positie verwijs ik naar Herman van Gunsteren, A Theory of Citizenship, Organizing Plurality in Contemporary Democracies, 1998, p. 95.) De overheid moet niet op de zaken vooruitlopen en op voorhand de spelregels alvast wat aanpassen aan hetgeen die nieuwkomers mogelijk op termijn zullen wensen (al was het maar omdat het ook heel goed mogelijk is dat de betreffende nieuwkomers nu juist hiernaartoe zijn gekomen vanwege de nu geldende regels). Om eens een ander voorbeeld te geven. Wij kennen in Nederland geen lijfstraffen; er wordt hier niet geranseld en de doodstraf wordt niet opgelegd. Oude en nieuwe Nederlandse burgers mogen ook dat uitgangspunt ter discussie stellen (herinvoering van de doodstraf is al jarenlang een vast programmapunt in beginselprogramma en verkiezingsprogramma's van de SGP). Maar wat weer helemaal niet kan is dat een vertegenwoordiger van de overheid zou constateren dat onder nieuwkomers een zekere affiniteit bestaat met een meer hardhandige strafrechtelijke aanpak en dat die vertegenwoordiger van de overheid daarover in een wollige nieuwjaarstoespraak een dialoog opent (onder gelijktijdige handhaving van het principe van lichamelijke integriteit).

Eerst integreren en dan principes ter discussie stellen, dat is de logische volgorde voor nieuwkomers in een politieke gemeenschap. En van overheidsvertegenwoordigers mag worden verwacht dat zij, juist ten opzichte van nieuwkomers, de constitutionele principes uitdragen in woord en daad.