Jongens die op snauwen vallen

De jeugdboeken van Peter van Gestel zijn laconiek met een melancholieke ondertoon. Zijn nieuwste boek gaat over de jaren van vlak na de oorlog.

Peter van Gestel schrijft graag over oren. Liefst over oren die een beetje flappen; roze doorschijnende, kleine oren die door de steile haren van een meisje steken. Reden genoeg voor Van Gestels hoofdpersonen om verliefd te worden. `Smoor', zoals Thomas Vrij, de tienjarige Amsterdamse jongen uit Van Gestels laatste boek, Winterijs, dat noemt. Zelf heeft Thomas ook van die aandoenlijke flaporen.

Heel anders is het gesteld met de uitsteeksels aan het andere uiteinde van de mens: de voeten. Van Gestels voeten zijn doorgaans angstaanjagend. In Mariken (1997) kan een narrige oude vrouw, genaamd `de zwarte weeuw', niet slapen door de aanblik van haar eigen, witte tenen. In Winterijs verstuikt Thomas' Tante Fie haar enkel. Haar onderbeen ligt op een bankje, haar voet is bloot en rood gevlekt en lijkt `waanzinnig veel groter dan een gewone voet'. Thomas durft niet in de buurt te komen. `Tante Fie sliep. Ik peuterde in mijn neus. De voet was wakker en vond mij een viespeuk.' `Kijk, mijn teentjes zijn helemaal paars', zegt tante als ze wakker wordt.

Peter van Gestel houdt niet van tierelantijnen. Hij schrijft spreektaal, recht voor zijn raap. Ingewikkelde beelden en vergelijkingen mijdt hij. ,,Als je bezig bent met formuleren, kun je er beter meteen mee ophouden. Dit en dat is het verhaal, dat vertel je dan', zegt hij. ,,Dat je je best hebt gedaan, mag nooit en te nimmer opvallen. Ik schrap en ik vloek en verander oneindig veel in de hoop dat het zo onopvallend mogelijk wordt.' Zijn boeken zijn voor het overgrote deel bestemd voor wat vroeger `de oudere jeugd' heette. Ze zijn laconiek met een melancholieke ondertoon.

Van Gestels hoofdpersonen, jongens, meisjes, oude wijven, dieren, hebben onveranderlijk `Kees de jongen'-kwaliteiten: je krijgt het gevoel dat je ze kent, dat ze er altijd al geweest zijn. De boeken doen in de verte, behalve aan het werk van Theo Thijssen, denken aan de verhalen van Simon Carmiggelt. Veel van Van Gestels boeken zijn geïllustreerd door Peter van Straaten.

Peter van Gestel is een Amsterdamse schrijver. Hij is er geboren, in 1937, en hij woont er nog steeds, met zijn vrouw Marjolijn en een bejaarde poes met Siamees bloed. Sinds zijn debuut in 1979, Schuilen onder je schooltas, schrijft hij jeugdboeken, die zich vaak nadrukkelijk afspelen in Amsterdam. Winterijs speelt zich af aan de Amstel, op de Lijnbaansgracht, de Reguliersgracht en de Weteringschans.

Op verzoek van Karel Eykman begon Van Gestel verhalen te schrijven voor de Blauwgeruite Kiel, de vroegere kinderrubriek van Vrij Nederland. ,,Jij? Voor kinderen? Oh, dat wordt helemaal niets, zei mijn vrouw destijds', grijnst Van Gestel en haalt zijn vingers door zijn grijze kuif. Uit de verte lijkt hij een strenge meneer, van dichtbij is hij eerder een jongen van boven de zestig. ,,Ik heb niet anders meer gedaan, sindsdien, nou ja, ik was natuurlijk ook twintig jaar auteur bij de NCRV.'

Een echte kinderboekenschrijver is hij niet. Zijn boeken kunnen gelezen worden door kinderen vanaf een jaar of elf, twaalf. Van Gestel: ,,Een keer probeerde ik een echt kinderboek te schrijven, over een aardmannetje in de mensenwereld dat verliefd wordt op een meisje dat natuurlijk veel te groot voor hem is. Wat een aardmannetje precies is? Nou, iets heel kleins. En alles was omgekeerd. Als het aardmannetje opstond, moest het zich vies maken met modder. Dat meisje werd zijn ondergang. Maar ja, het was een kinderboek, dus daar moest ik dan nog wat op verzinnen. Dat kwam er niet van.'

Flauwe aftreksels

Zelf las Peter van Gestel op zijn twaalfde Bomans en Den Doolaard. ,,Wampie van Den Doolaard was destijds heel erotisch, voor zo'n jongetje op die leeftijd.' Van Gestel leest vrij veel boeken die nu voor kinderen en jongeren verschijnen. Veel vindt hij flauwe aftreksels van al bestaande boeken. In Harry Potter, deel een, bleef hij steken: ,,Grappig vond ik het eerst wel. Maar ik werd er dood- en doodmoe van. Er gebeurde zoveel, elke pagina weer, en alles kan. Alles. Als ze even de weg kwijt zijn komt er iets aanvliegen en kunnen ze zo instappen.'

Van Gestel, een beetje opgeleid als acteur en zelfs als hoorspelacteur (hij verliet voortijdig beide opleidingen), schreef voor televisie onder meer de dramaseries Het wassende water en Armoede, naar Herman de Man en Boudier-Bakker. Met Willem Wilmink maakte hij een film over diens oorlogsjaren, Het verhaal van Kees.

Voor zijn jeugdboeken kreeg Peter van Gestel een hoop prijzen. Mariken, een losjes op de laatmiddeleeuwse rederijkerstekst Mariken van Nieumeghen gebaseerd fantasieverhaal uit 1997, werd succesvol voor toneel bewerkt en verfilmd, naar een scenario van Van Gestel zelf. Het gaat over een meisje dat, opgegroeid in een bos (het `Waanwoud') op zoek is naar een geit, een moeder en naar wat er in het leven te koop is, al denkt ze daar al alles van te weten.

,,Met Mariken kwam er een eind aan mijn imago van puberschrijver', zegt Van Gestel. ,,Maar aan dat ondermaatse middeleeuwse wicht wilde ik ook niet blijven vastzitten. Ik kreeg op den duur wat van dat kind, met haar ene gimmick, haar naïeve blik. Ach, 't is wel een leuk meisje hoor, maar als het mijn dochter was, had ik haar subiet in een pleeggezin ondergebracht.'

Op Mariken volgde Slapen en schooieren, een fijn boek over poezen en honden waarin mensen alleen als `de lui' voorkomen, vaag, op de achtergrond, en nu is er dan Winterijs. Het boek speelt zich af tijdens de ijzig koude winter van 1947, en het gaat over twee jongens. Van Gestel: ,,Ik wou eerst iets met een meisje tijdens een hete zomer in Apeldoorn, ik weet niet meer precies wat. Nou ja, dat is mislukt.' Thomas Vrij heet zijn hoofdpersoon, die vertelt van zijn vriendschap met Piet Zwaan en zijn vinnige nicht Bet van dertien, en hoe dat voorbij ging.

,,Het gaat mij om de intense vriendschap tussen de twee jongens van tien, nog lang geen pubers, al heel lang geen kleuters meer', zegt hij. ,,Ze herkennen zich in elkaar, in het alleen zijn van de ander. Het is eigenlijk meer dan liefde tussen die twee, het is een gevoel waar ze geen raad mee weten. Allebei weten ze zonder het echt te weten dat zoiets niet lang kan duren. Zo verdwijnen mensen uit elkaars leven. Er zijn altijd wel omstandigheden die daar schijnbaar de oorzaak van zijn. In Winterijs vormen die omstandigheden een verhaal op zich.'

Straatschoffie

Piet Zwaan is joods. Hij woont bij zijn nichtje en haar dikwijls sombere moeder in een deftig huis aan de Weteringschans dat aan de achterkant uitkijkt op de veel armoediger Lijnbaansgracht, waar Thomas woont. Zijn ouders zijn in de oorlog in Polen door de Duitsers vermoord. Bet heeft geen vader meer. Bet en Zwaan zijn nog een poos naar het station gegaan. `Je kon nooit weten. Het Rode Kruis had gezegd: er komen mensen terug.' Maar er komt niemand.

Zwaan is een vroegwijs, ouwelijk jongetje dat onzichtbaar lacht. Bet is, zegt Van Gestel, `ook niet al te stom'. ,,Ze denkt van alles waar ze het zelf niet mee eens is, daar word je niet vrolijker van. Ver van haar moeder kan ze nog wel eens een meisje zijn dat van touwtjespringen houdt en zo. Ze wordt door de situatie gedwongen al te snel volwassen zorgen te hebben. Je moet eigenlijk pas ver na je twintigste over je ouders gaan nadenken.'

Thomas vertelt, zegt Van Gestel, ,,vanuit een typisch gojs standpunt'. Hij heeft geen idee van wat er in de oorlog is gebeurd. Zijn eigen moeder is gestorven aan een hevige griep in december 1945, zijn vader is schrijver en heeft geen werk. Thomas vloekt veel en verzint graag verhalen. Hij is vitaal, een beetje een straatschoffie. Hij geniet zich vaak `suf', zoals hij zegt. Thomas houdt niet van medelijden. Hij is blij als de meester op school hem niet langer ontziet bij `het uitdelen van de petsen'.

Zelfmedelijden kent Thomas Vrij niet en hij is ook niet onhandig of tobberig. Daarmee onderscheidt hij zich van veel van Van Gestels eerdere helden. De meest bekende, Ko Kruijer, uit de boeken Uit het leven van Ko Kruijer (1984) en Ko Kruijer en zijn stadsgenoten (1985), was bijvoorbeeld een heel ander soort jongen. Zo'n jongen `die eerst een dropje aanbood, en dan te laat merkte dat hij die versnapering niet bij zich had', zo'n jongen die zelfs per ongeluk nooit aan sport doet. `Als op een grasvlakte in een park een bal zijn richting kwam opgevlogen, deed hij 'n stap opzij, liet het vervaarlijke ding rustig passeren.'

Een overeenkomst hebben de jongens van Van Gestel wel: ze vallen op snauwerige meisjes. Van Gestel: ,,Het is makkelijk smoor worden, zeker op een meisje dat tegen je praat en je ziet en die kwaad op je wordt en je vies vindt. Als je maar bestaat voor anderen, daar gaat het vaak om.'

Winterijs heeft veel autobiografische elementen. Aanvankelijk schreef Van Gestel het boek als een terugblik op 1947. ,,Niet te harden was dat. Een zemelende oude man. Dit verhaal heeft tragische achtergronden, maar het moet daar niet in verzinken. Daarom koos ik voor de directheid van een tienjarige. Een verdichting dan natuurlijk, een echte tienjarige aan het woord, daar moet ik niet aan denken, dat verveelt na anderhalve pagina dodelijk.'

Van Gestel wilde altijd al schrijven over de jaren vlak na de oorlog, omdat het zo'n intrigerende overgangstijd was. Tegelijkertijd vond hij het `behaaglijk' zijn boek in die tijd te situeren: ,,Er was van alles nog niet, en de dingen die er wel waren, waren intenser. Ja toch. Niemand kan ooit meer zo intens van een film genieten in een rokerige bioscoop als Thomas in 1947, bij het zien van Ali Baba. Dat is authentiek. En ook op andere dingen werd juist zoveel minder acht geslagen, een klap met een liniaal op school, wie keek daar van op. Je lette er niet zo erg op en geen ouder ging met een proces dreigen.'

Auschwitz

Winterijs is opgedragen aan `Daniel K'. Van Gestel: ,,Danny was een vriendje van mijn vijf jaar oudere broer. Hij is weggehaald en omgebracht in Auschwitz. Ik weet nog dat ik op mijn vierde op een verjaarsfeest bij hem thuis was, dat er een behaaglijke sfeer hing daar, in de Den Texstraat. Die herinnering heb ik gebruikt in het boek. Ik ben mijn hele jeugd geconfronteerd geweest met Danny. Er hing een foto van hem bij ons thuis.' Bij toeval stuitte Van Gestel, terwijl hij aan zijn boek werkte, op een artikel van Henriette Boas over de joodse scholen in de Stadstimmertuin. Thomas zit daar, op Van Gestels eigen oude school. Helemaal verrast was Peter van Gestel toen hij na de dood van Boas in de krant las dat er nog een boekje van haar op stapel stond over de joodse bewoners in de Den Texstraat.

Winterijs speelt zich af in de buurt waar Peter van Gestel opgroeide, Thomas woont in zijn ouderlijk huis. Zelf was hij ook tien in 1947: ,,En de vaders lijken op elkaar. Mijn vader had, in die behoudende jaren, vrijere opvattingen dan de meeste mensen. Hij wilde schrijven, maar had allerlei baantjes, onder andere als handhaver van de censuur voor de Engelsen in Peine, Duitsland, en later was hij sociaal werker in een kartonnagefabriek in Apeldoorn, net als Thomas' vader.'

Peter van Gestels moeder daarentegen, stierf niet jong. Ze werd vierentachtig jaar. Na haar dood raadpleegde hij, ,,voor de weersomstandigheden in mijn boek', haar dagboeken. ,,Ik kom er in voor. Toen ik drie was, schreef ze: `Met Peter is het hopeloos, die is onmogelijk. Als het zo doorgaat, loopt het helemaal verkeerd met hem af.' '

De boeken van Peter van Gestel verschijnen bij uitgeverij Fontein.