Hollywood was toen ook al stupide

In een serie artikelen over vertaalde klassieken deze week `Amerika eenhoog' van Ilja Ilf en Jevgeni Petrov (uit het Russisch vertaald door Paul Janse. Wereldbibliotheek. 414 blz. euro 27,–)

Ilf en Petrov zijn een begrip in Rusland zoals Van Kooten en De Bie het hier waren. Een twee-eenheid van wie de namen altijd in één adem genoemd worden. Ilja Ilf (1897-1937) en Jevgeni Petrov (1903-1942) hebben vanaf het einde van de jaren twintig tot Ilfs vroege dood in 1937 een omvangrijk humoristisch oeuvre bij elkaar geschreven met als hoogtepunten de ook in het Nederlands vertaalde romans De twaalf stoelen en Het gouden kalf, nog steeds dé klassieke schelmenromans uit de Russische literatuur.

Zij schreven hun werken altijd gezamenlijk, de een aan tafel zittend, de ander door het vertrek ijsberend. Het feit dat hun werken dateren uit het begin van de jaren dertig, dus uit de tijd van het snel opkomende stalinisme en de daarmee gepaard gaande inperking van de creatieve vrijheid is er niet aan af te lezen. Het is opmerkelijk wat zij zich konden permitteren. Hun satires op de Sovjet-Unie van omstreeks 1930 zijn nog steeds wonderbaarlijk scherp.

In 1935 heeft dit duo een lange rondreis door de Verenigde Staten gemaakt en daarvan verslag gedaan in de Pravda. Deze reportages hebben ze na terugkomst bewerkt en tot een doorlopend verhaal gemaakt: Amerika eenhoog. Een reisverslag over Amerika in 1935 geschreven door twee Sovjet-schrijvers, kan dat nog van belang zijn voor de Nederlandse lezer van nu, is de vraag die zich natuurlijk opdringt. Het antwoord moet zijn: ja en nee.

Ilf en Petrov arriveerden per schip in New York en maakten van daaruit per auto een rondreis die hen naar San Francisco bracht en via Texas en de zuidelijke staten weer terug naar het vertrekpunt. In hun boek maken zij de reis in het gezelschap van Mr. en Mrs Adams, welke laatste de automobiel bestuurde. Meneer Adams spreekt Russisch en dient hen tot tolk en reisgids. Of de Adamsen fictieve figuren zijn of werkelijk hebben bestaan, is niet geheel duidelijk.

1935 was lang voor de Koude Oorlog en de VS waren toen nog niet de grote concurrent en aartsvijand van de Sovjet-Unie die ze na de oorlog zouden worden, maar meer een exotisch land met vreemde gebruiken, zodat Ilf en Petrov er zelfs in de Pravda betrekkelijk onbevangen over konden schrijven en zij ook door de Amerikanen niet als gevaarlijke spionnen werden beschouwd; zo konden zij openlijk een vlootbasis in Californië bezoeken, maar gewoon als vreemdelingen uit een ver land.

Zij zijn vol bewondering over de Amerikaanse techniek, service en gastvrijheid, maar staan kritisch tegenover het smakeloze voedsel en de Amerikaanse oppervlakkigheid. Wat dat betreft reageren ze precies zoals bijna alle Europeanen de afgelopen eeuw op de VS hebben gereageerd. Hun beschrijving van Amerika in 1935 is buitengewoon interessant. Er blijkt uit dat in 1935 alles ongeveer net zo was als nu. Alleen de rassendiscriminatie is minder opzichtig geworden dan hier beschreven wordt. Maar de snelwegen, de files, de parkeerproblemen (ze moeten in San Diego een uur naar een parkeerplaats zoeken), de benzinestations en het fast food dat overal hetzelfde is en naar niets smaakt (maar waar je in ieder geval niet ziek van wordt), de motels die destijds camps heetten, alsmede de behulpzaamheid en vriendelijkheid van de gemiddelde Amerikaan, die zal iedereen herkennen. Net als de stupiditeit van de meeste Hollywoodfilms.

Schitterend is de beschrijving van de `elektrische keuken' die zij in de fabriek van General Electric bezoeken. Elektrische oven, afzuigkap, wasmachine, afwasmachine, koffiezetapparaat, sapcentrifuge, koelkast, alles waar onze keukens nu mee vol staan was er in 1935 al. Alleen de televisie en de magnetron ontbreken. En allemaal op afbetaling te verkrijgen. Zodat de Amerikaan – laten de twee sovjetburgers niet na op te merken – ongemerkt de slaven van het kapitalisme worden. Ook hun beschrijving van de Fordfabrieken en van de voortreffelijke, maar eindeloze snelwegen met hun wouden van reclameborden zijn briljant.

Helaas verdwijnt die onbevangenheid halverwege het boek. Ilfs gezondheidstoestand verslechterde – hij had tbc –, de reis duurde te lang en misschien hadden ze van de Pravda ook opdracht gekregen minder positief te schrijven, want in de rest van het boek wordt de toon chagrijniger. Er komen steeds meer Russische emigranten opdraven die verteerd worden door heimwee en beseffen dat het ware geluk alleen is te vinden in hun oude vaderland onder de zegenrijke zon van het communisme. Ze krijgen van Ilf en Petrov dan ook de raad zo snel mogelijk terug te keren. Dat klinkt allemaal bijzonder vals, vooral als je weet dat de Sovjet-Unie net een catastrofale hongersnood achter de rug had, de terreur er al aardig op gang kwam en er nu nog steeds geen fatsoenlijke snelweg is te vinden.

Maar dit neemt niet weg dat de eerste helft een van de leukste reisboeken over Amerika is die ik ken, zeer humoristisch en met een enorme vaart geschreven.