Hoe fout waren we nu eigenlijk precies?

Helmut Kohl had het ooit over de Gnade der Spätgeburt, om het lot te prijzen van de Duitsers die te laat geboren waren om te hoeven kiezen tussen goed en fout. Maar het omgekeerde komt ook voor: de teleurstelling juist niet tijdig geboren te zijn om te hebben kunnen laten zien wat je in de oorlog waard was geweest. Het boek van Dick Verkijk is ervan doortrokken. `Ik was elf jaar. Ik was tegen de moffen. Ik was tegen de NSB.'

Die slappe Nederlanders – of viel het toch wel mee in 1940-1945? is een pamflet tegen `modieuze historici en journalistieke dito's' die een `kruistocht' voeren tegen de Nederlanders die de bezettingstijd hebben meegemaakt. Verkijk is met name kwaad geworden door twee boeken die de afgelopen jaren nogal wat stof hebben doen opwaaien, Om erger te voorkomen van Nanda van der Zee en Grijs verleden van Chris van der Heijden. Deze boeken ziet hij als het product van een nieuwe mode onder historici: het bagatelliseren van het verzet tegen de Duitse bezetters.

Verkijk wil tegen de mode ingaan – al vergeet hij dat in het vakgebied van de historici weinig waardering bestaat voor Van der Zee en Van der Heijden. Maar goed, het betekent voor Verkijk dat het maar eens gezegd moet worden dat de meeste Nederlanders het hart op de goede plaats hadden tijdens de bezetting. Dat er een anti-nazistische consensus bestond, `een hoge mate van consensus om ze een loer te draaien, soms tot op het kinderachtige en nutteloze af'. Hij memoreert de `vaste gewoonte om een Duitse soldaat, die de weg vroeg, de verkeerde kant te wijzen'. Maar ook minder kinderachtige vormen, zoals de weigering joodse kinderen van school te sturen, zoals de protesten van sommige predikanten vanaf de kansel, of de weigering van artsen toe te treden tot de Artsenkamer. Of zoals de Februaristaking van 1941.

Verkijk hanteert het argument dat híj de bezetting heeft meegemaakt (`zeer bewust', staat zelfs op de achterflap, een raadselachtige formulering). Dat kunnen Van der Heijden en Van der Zee hem niet nazeggen. Zijn geheugen werkt als `een videoband in mijn hersenen'. En toch is het echt iets anders of een tijdgenoot getuigt van de gebeurtenissen op de dag dat hij ze meemaakt, of dat hij ze vijftig jaar later nog eens op zijn videorecorder afspeelt. Zeker als het om de morele overwegingen van anderen gaat, en daar gaat het hier om.

Verkijk probeert één voor één de volgens hem door modieuze historici verzonnen mythes te ontkrachten. Dat iedereen na de meidagen van 1940 het gewone leven weer oppakte. Dat het verzet niks voorstelde. En dat het lot van de joden de Nederlanders onverschillig liet. Met de aantallen ondergedoken joden gaat hij aan het rekenen om te bewijzen hoeveel Nederlanders moeten hebben geholpen. Dat is bepaald geen overtuigende passage. Het aantal onderduikadressen voor joodse kinderen – gemiddeld 4 à 5 gezinnen per kind – extrapoleert hij naar het aantal gezinnen dat nodig zou zijn geweest om alle 140.000 in 1940 in Nederland levende joden te redden. Daarbij komt hij met zelfgefabriceerde gemiddelden (`5 à 7' gezinnen per onderduiker) tot het getal van één miljoen gezinnen dat nodig zou zijn geweest om in de periode 1942-1945 iedere vijf maanden één onderduiker te huisvesten. Dan zou er bovendien elke maand `een volksverhuizing van 40.000 tot 56.000 mensen' plaatsvinden – de implicatie is dat niemand toch zóveel illegale inspanning van een volk mag verwachten.

Verkijk gaat daarbij allereerst voorbij aan het feit dat op één adres meer joodse onderduikers konden zitten en aan het feit dat verhuizen kon betekenen dat je terechtkwam bij mensen die al eerder onderduikers hadden gehad, dus dat er feitelijk mínder adressen nodig waren. En hij gaat voorbij aan het feit dat veel meer niet-joden onderdoken voor de Arbeitseinsatz. Dan moet er dus een reden zijn waarom juist van de joden er maar 25.000 konden onderduiken.

Verkijk onderstreept dat niemand destijds wist wat de joden boven het hoofd hing. Als bewijs gebruikt hij, tamelijk weerzinwekkend, de foto op het omslag van zijn boek. Daarop zit een groep joden, mei 1943, op het Muiderpoortstation te wachten op deportatie naar Westerbork. `Geen mensen met de dood voor ogen, maar soms zelfs glimlachend in de camera kijkend, alsof ze wachten op de bus voor een dagtochtje.' Ze zijn, schrijft hij, even onwetend als de rest van de Nederlanders. `Verschrikkelijk – maar pas achteraf verschrikkelijk.'

Nu is onlangs ook Oorlogsdagboeken over de jodenvervolging verschenen, het resultaat van een werkcollege van studenten geschiedenis die, onder begeleiding van de docenten Wichert ten Have en Johannes Houwink ten Cate, dagboeken lazen die Nederlandse niet-joden tijdens de bezetting schreven. Veel schrijven ze niet over de uitsluiting van joden uit het openbare leven, over de razzia's en transporten. En als ze het wel doen, dan bijvoorbeeld zo: `Het is toch verschrikkelijk, en wat zal er met hun gedaan worden, het zijn toch ook mensen (al worden het nooit onze vrienden).'

Misschien wisten de tijdgenoten inderdaad niet precies wat de joden te wachten stond, maar toch konden zij zich er een aardige voorstelling van maken, blijkt. Een dagboek uit juni 1941: `Donderdagavond zijn er weer ± 300 Joden in Amsterdam zoomaar van de straat opgepikt [...] De vorige partij zou zoo langzamerhand wel vermoord zijn.' En in Twente schrijft een doktersvrouw: `De meeste joden uit onze omgeving, die zo plotseling zijn weggehaald, zijn al dood. – In een paar weken tijd dus. [...] Als doodsoorzaak wordt dan opgegeven de een of andere ziekte, maar hoe kan dat!'

Dat boekje lijkt een waardevoller tijdsbeeld dan de verontwaardigde apologie van Verkijk voor `de 6,5 miljoen Nederlanders die de oorlog meemaakten, maar intussen zijn overleden en zich dus niet meer kunnen verdedigen'.

Dick Verkijk: Die slappe Nederlanders - of viel het toch wel mee in 1940-1945? Aspekt, 144 blz. € 13,59

Anna Voolstra en Eefje Blankevoort (red.): Oorlogsdagboeken over de jodenvervolging. Contact, 141 blz. € 11,34