Het kruitschip van Leiden

Op 12 januari 1807, 195 jaar geleden, ontplofte in Leiden een een kruitschip, een ramp die alle explosieve ongelukken in Nederland, ook die in Enschede met 22 doden, verre in de schaduw zou stellen.

Leiden was tijdens de Franse bezetting een stad in verval. Terwijl de stad rond 1675 ruim 65.000 inwoners telde, was in 1807 het inwonertal meer dan gehalveerd. De eerbiedwaardige Leidse universiteit versterkte het gezapige imago van deze provinciestad. De 388 studenten waren nog niet van hun vakantie teruggekeerd, toen op maandag 12 januari 1807, om kwart over vier in de middag, een geweldige ontploffing het stadje deed sidderen. Een schip met een lading van 37 ton grof buskruit was die ochtend vanuit Ouderkerk aan de Amstel de stad binnengekomen en aan het Rapenburg afgemeerd. Waarschijnlijk was een bemanningslid tijdens het koken – een passant zag kort voor de explosie dat er aardappelschillen overboord werden gegooid – zorgeloos met het vuur omgesprongen. ,,Er was', aldus een kroniekschrijver, ,,een hel en schitterend licht, dan een witte wolk zichtbaar boven de huizen van het Rapenburg, die zich met rukken uitbreidde, daarna werd een doffe slag gehoord met sterke dreuning en tegelijk wankelden de huizen, spleten de muren en stortten inéén, Leidens schoonste stadswijk omscheppend in één reusachtigen, ontzettenden puinhoop, ijselijk graf van een aantal harer burgers.'

Niet alleen in Leiden werd de klap gehoord, maar ook ver daarbuiten. In Amsterdam dacht men dat er op de Zuiderzee een oorlogsschip in de lucht was gevlogen. In Zwolle, in Deventer en zelfs in Friesland werd de slag gehoord. Vreemd genoeg hadden de inwoners van het nabijgelegen Katwijk er niets van gemerkt. Het anker van het kruitschip werd later in een weiland buiten de stad `enkele voeten diep in den grond' teruggevonden.

Door de kracht van de explosie werd een deel van de gracht drooggelegd. 227 woonhuizen liepen grote schade op. Hiervan waren er 68 geheel tot puin vervallen, van 80 stonden nog slechts de muren overeind en de overigen waren tijdelijk onbewoonbaar.

Direct na de ramp kwam de hulpverlening op gang. Bij het licht van toortsen werden doden en gewonden geborgen en muren gestut die op instorten stonden. Voor 151 personen was er geen redding meer mogelijk. De geborgen slachtoffers werden ter identificatie naar de conciërgerie van het stadhuis gebracht. Op een bepaald moment lagen daar een man met een kind in zijn armen, een onbekende bedelaar, professor Kluit en diens vrouw, een vrouw `geheel naakt, door een lijkwade overdekt' en twee zusters van wijlen predikant Landmeter naast elkaar. De dood sloeg toe zonder acht te slaan op leeftijd, geslacht of sociale positie.

De hoogzwangere mevrouw Vermolen stond op het moment van de explosie voor het huis van dr. Bennet aan het Rapenburg. Zij werd door het puin van het instortende huis bedolven en baarde ter plekke een kind; moeder noch dochter overleefde de ramp. Verderop was een familiefeest aan de gang. Mr. Pieter Rietmuller, commies bij de Staten van Holland, was met vrouw en negen weken oud dochtertje bij zijn schoonouders op bezoek. Zij allen kwamen om.

Nog op de avond van de ramp arriveerde koning Lodewijk Napoleon om ter plaatse de ravage in ogenschouw te nemen. Hij toonde zich zichtbaar geëmotioneerd, hielp mee met het reddingswerk en schonk uit eigen zak dertigduizend gulden voor hulp aan de slachtoffers. Hij kwam de stad ook op andere wijze te hulp: de staat zou voor een periode van tien jaar de rente van de schulden van de stad Leiden voor haar rekening nemen. De herbouw van de openbare gebouwen zouden eveneens ten laste van het rijk komen. Ook mocht een nationale collecte gehouden worden. Ondanks de beroerde economische situatie bracht deze bijna twee miljoen gulden op.

Zo voortvarend als in de rampdagen gewerkt werd, zo traag verliep de wederopbouw. Al snel deden geruchten de ronde dat er veel aan de strijkstok bleef hangen. Het gemeentebestuur legde pas in 1833, maar liefst 26 jaar na de ramp, verantwoording af. Op verzoek van Lodewijk Napoleon zou met een gedenknaald de herinnering aan de ramp levend gehouden worden. Reeds in november 1807 was het ontwerp klaar. Maar men kwam niet verder dan het metselen van het fundament. In 1837 bepaalde koning Willem I dat het gedenkteken niet zou worden opgericht en zette daarmee een punt achter deze tragische gebeurtenis.

L. Knappert, De Ramp van Leiden na honderd jaar herdacht. (Schoonhoven, 1906).