Herboren in de loopgraaf

Fundamentalisten uit de moslimwereld zijn niet de eersten die de liberale moderniteit afwijzen. Ze passen in een westerse zelfkritiek die uitmondde in het Duitse nazisme. Uit het politieke werk van Ernst Jünger, na lange tijd heruitgegeven, blijkt hoe nationalisme, een cultus van de strijd en afwijzing van het liberalisme samengaan.

Na de dood komen de lijken uit de kast. Ook bij Ernst Jünger. Zijn leven lang (Jünger werd honderdtwee) heeft hij de herdruk van zijn politieke artikelen uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw tegengehouden, maar amper vier jaar na zijn overlijden zijn ze toch heruitgegeven - meer dan 140 stuks - in een vuistdikke bundel. Daarmee is de grootste leemte in de beide edities van zijn verzamelde werken eindelijk gevuld.

Nog in 1989 zei Jünger tegen een interviewer: `Wat ik daar allemaal heb losgelaten, ik weet het niet meer'. Het kan aan de ouderdom hebben gelegen, maar waarschijnlijker is dat hij simpelweg geen zin had om zich meer dan een halve eeuw na dato nog te verantwoorden voor zijn politieke verleden. In die richting wijst een notitie ter zake in zijn dagboek Siebzig Verweht uit 1988: hij was er niet op uit iets te `verbergen', maar wachtte liever een `klimaat' af dat een `zakelijke beoordeling' mogelijk zou maken. Misschien dat in een eventuele derde editie van zijn verzameld werk wèl een deel van zijn artikelen kon worden opgenomen, onder de titel: Neuer Nationalismus.

Sven Olaf Berggötz, de tekstbezorger van Politische Publizistik, 1919-1933, is die editie – met medewerking van Jüngers weduwe – voor geweest. Iedereen kan zich nu zelf een al dan niet `zakelijk' oordeel vormen, zonder aangewezen te zijn op citaten en parafrases in studies over Jünger of op de lange fragmenten in het zeer vijandige Ernst Jünger - ein Brevier van Bruno W. Reinmann en Renate Hassel uit 1995.

Dankzij al die citaten en fragmenten komt de strekking van Jüngers politieke teksten niet als een verrassing. Dat hij in de jaren van de Weimar-republiek een fanatieke nationalist was geweest, een onverzoenlijke vijand van Verlichting, liberale democratie en humanisme, heeft men altijd kunnen weten, al verhinderde dat de jury van de Robert Schumannprijs in 1993 niet Jüngers oeuvre te bekronen omdat het zou worden gedragen door de `geest van de westers-humanistische traditie'. Van die `geest' is in de jaren twintig en dertig nog geen spoor te bekennen, en ook daarna steekt hij maar heel sporadisch de kop op.

Jünger behoorde in die dagen tot een gezelschap extreem-rechts geëngageerde intellectuelen, dat men achteraf de `Conservatieve Revolutie' is gaan noemen. Met denkers als Oswald Spengler, Arthur Moeller van den Bruck, en Ernst Niekisch droomde hij van een `Duits' of `Pruisisch' socialisme, dat niets te maken wilde hebben met de marxistische klassenstrijd, maar dat zijn oorsprong vond in de collectieve frontervaring van de Eerste Wereldoorlog. Niet de klassenloze maatschappij, maar een oppermachtig Duits Reich (door Moeller van den Bruck al in 1923 aangeduid als `das Dritte Reich') moest de vrucht van hun inspanningen worden. Dat de meesten van deze `conservatieve revolutionairen' (onder wie Jünger) zich na 1933 hebben gedistantieerd van het nationaal-socialisme, doet niets af aan de verwantschap die voordien bestond tussen hun idealen en die van Hitlers NSDAP.

Het heeft van Jünger tot op de dag van vandaag een fel omstreden auteur gemaakt. Hoezeer de politiek in zijn werk na 1933 ook naar de achtergrond mag zijn verdwenen, telkens opnieuw werd de vraag naar de continuïteit van politiek en literatuur opgeworpen. Begrijpelijk, want tot de liberale democratie of het heil van de markt heeft Jünger zich nooit willen bekeren. Ook als literair schrijver blijft hij in veel opzichten een Fremdkörper in de moderne wereld. Een conservatieve visionair, met een profetisch oog voor de revolutionaire rol van de technologie, schrijvend in een aristocratisch aandoende `klassieke' stijl – dat is de Jünger die we kennen uit het latere werk.

Aan de hand van nu herdrukte politieke artikelen valt goed na te gaan hoe dit schrijverschap uit het nationalistische engagement van weleer is voortkomen. Zelf heeft Jünger het nationalisme bij de vele revisies van zijn boeken langzaam maar zeker weggepoetst, in deze artikelen komt het onverhuld naar voren. Maar ook wordt duidelijk dat de visionaire inzet al van meet af aan aanwezig was. Jünger is nooit alleen maar een politiek auteur geweest, zijn pleidooien voor een nationale revolutie hebben altijd deel uitgemaakt van een veel meer omvattende, in wezen mythologische kijk op leven en kosmos.

Als held uit de Eerste Wereldoorlog gekomen, onderscheiden met de hoogste orde `Pour le Mérite', had Jünger in 1920 naam gemaakt met zijn oorlogsdagboek In Stahlgewittern. Een ijzingwekkende evocatie van de moderne `materiaalslagen' en van het barre bestaan in de loopgraven, waar de jonge oorlogsvrijwilligers hun `romantisch' idealisme spoedig verloren om te veranderen in even heroïsche als illusieloze `dagloners van de dood'. Achteraf heeft Jünger zijn best gedaan hun inzet alsnog van een diepere of hogere `zin' te voorzien. Daar ligt de oorsprong van zijn visionaire schrijverschap.

Om aan het massale en ogenschijnlijk zinloze sterven betekenis te geven was een andere blik vereist dan de gebruikelijke rationele zienswijze. Daarnaast was er de teleurstelling over het feit dat Duitsland, ondanks al die miljoenen doden, de oorlog verloren had. Ook dat mocht niet zonder `zin' blijven. Met als gevolg dat Jünger niet zozeer de uitkomst van de oorlog, als wel de oorlog zelf als het belangrijkste is gaan beschouwen.

Geïnspireerd door Nietzsche, die hij al als scholier had gelezen, wees hij de `strijd' aan als de essentie van het leven. Leven werd voor hem per definitie `verandering', een onophoudelijke dialectiek van destructie en creatie, waaraan geen externe zin meer hoefde te worden gegeven omdat die er al bij voorbaat, als een `geheime wetmatigheid', in aanwezig was. Waar het op aankwam was alleen dat die immanente zin ook werd gezien, en dat er de passende consequenties aan werden verbonden.

In de artikelen die Jünger naast zijn oorlogsboeken schreef, blijken dat in eerste instantie vooral politieke consequenties te zijn. Duitsland had weliswaar de oorlog verloren, maar juist daardoor kon het zijn ware nationale identiteit hervinden. Voor dit verheven doel hadden de gesneuvelden van '14-'18 zich opgeofferd; in de toekomstige Duitse wederopstanding lag de zin van hun sterven. Jüngers geestverwant Franz Schauwecker zou het in zijn roman Aufbruch der Nation (1929) zo uitdrukken: `Wir mussten den Krieg verlieren, um die Nation zu gewinnen'.

In een van de artikelen wordt deze uitspraak met instemming geciteerd. Het nationalisme dat Jünger bepleitte, was dan ook iets wezenlijk anders dan het `patriottisme' van het Wilhelminische keizerrijk. Dat was `burgerlijk' van aard, het `nieuwe nationalisme' dat door de oorlog - die `Umwerter der Werte' - was voortgebracht, zou een nationalisme worden van `frontsoldaten' en `arbeiders', aangepast aan de nieuwe technische realiteit die tijdens de oorlog voor het eerst haar gruwelijke gezicht had getoond. In 1927 zal Jünger schrijven: `Het nationalisme is de eerste poging een meedogenloze werkelijkheid met meedogenloosheid in de ogen te zien'.

Wat hij in feite probeerde was de Geist van het front te transponeren naar de vredestijd. In de moderne technische wereld was het onderscheid tussen oorlog en vrede uitgewist, luidt de centrale stelling van zijn beruchte essay `Die totale Mobilmachung' uit 1930, waarvan de oorspronkelijke versie (mét nationalistische conclusie) in deze bundel is herdrukt. Daarom kon hij de frontsoldaat uitroepen tot het prototype van de `nieuwe Duitse mens'. En kon de politiek voor hem, met een variatie op Clausewitz, `een voortzetting van de oorlog met andere middelen' worden.

De Eerste Wereldoorlog had een `bloedrode streep' getrokken onder het burgerlijke tijdperk van algemene rechten, sociaal contract en liberale vrijheid. De Duitse frontsoldaat had weer contact gekregen met het `elementaire', de `gevaarlijke' dimensie die de keerzijde vormt van elke maatschappelijke of politiek orde. Niet het `intellect', maar het `bloed' was de geleider naar die oorspronkelijke, natuurlijker werkelijkheid, die de mens zijn vrijheid deed vinden in de `noodzakelijkheid' van het Schicksal en die hem terugvoerde naar de `bodem'.

Alleen vanuit die herwonnen positie kon Duitsland als wereldmacht herrijzen, meende Jünger. Daarvoor was een `revolutie' onontkoombaar. Maar dan wel een echte, geleid door de `nationale idee', en geen herhaling van de socialistische schijnvertoning van november 1918. Toch is Jünger niet uitsluitend negatief over die eerste Duitse revolutie. Opvallend is dat hij niet geloofde in de zogenaamde `Dolkstootlegende'. Dat de socialisten in 1918 succes hadden gehad, gaf volgens hem aan dat het Tweede Keizerrijk in `levenswil' tekort was geschoten. Aan reactionaire nostalgie had Jünger geen boodschap. Het enige wat het verdiende uit de erfenis van het Wilhelminische verleden te worden gered was het imperialisme.

Met de vrede van Versailles was de oorlog immers niet voorbij, de echte strijd om de wereldmacht stond nog te gebeuren. En om die met succes te kunnen voeren moest het nationalisme de arbeiders voor zich zien te winnen, de `vierde stand' die, anders dan de op `veiligheid' en `comfort' gerichte burgerij, vertrouwd was met de `gevaren' van de moderne techniek en daarmee wist om te gaan. De les die Jünger van de Eerste Wereldoorlog had geleerd, was niet alleen dat de techniek de mens bedreigde, maar ook dat de `geest' uiteindelijk in staat moest worden geacht die techniek als een instrument naar zijn hand te zetten. Het nationalisme, met zijn instinctieve (`bloedmatige') zekerheid en vurig geloof, was volgens hem het ideale kader waarbinnen deze grootse `opdracht' kon worden vervuld.

Met tal van nuances en variaties heeft Jünger zijn `nieuwe nationalisme' verkondigd, onder het motto: `De een brengt uit de loopgraven een reumatiek mee naar huis, de ander een Weltanschauung'. Aanvankelijk vonden zijn publicitaire activiteiten plaats binnen de Stahlhelm, het grootste (en zeer conservatieve) oudstrijdersverbond van de Weimarrepubliek. Maar weldra werd hij, vanwege zijn toenemende radicalisme, gedwongen uit te zien naar andere kanalen, hetgeen zijn publiek drastisch reduceerde, van ongeveer 170.000 toen hij nog schreef voor de ideologische bijlage (Die Standarte) van het weekblad van de Stahlhelm, tot niet meer dan enkele duizenden of zelfs honderden, toen hij zijn toevlucht zocht bij onafhankelijke bladen als Arminius, Der Vormarsch, Widerstand en Die Kommenden.

Een paar van Jüngers artikelen verschenen ook in het partijblad van de NSDAP, de Völkische Beobachter, en dat onderstreept nog eens hoe dicht Jüngers toenmalige gedachtengoed bij dat van de nazi's lag, destijds overigens slechts een van de vele ultrarechtse splinterpartijtjes. Tot de herfst van 1929 bestonden er wederzijds uitstekende betrekkingen, hoewel Jünger nooit partijlid is geworden en het nooit is gekomen tot de voorgenomen ontmoeting met Hitler (die zijn oorlogsboeken bewonderde).

Zo schrijft Jünger in 1923 over de gewenste nationale revolutie: `haar idee is de völkische [...], haar banier het hakenkruis, haar expressievorm de concentratie van de wil in één enkel punt - de dictatuur!' De mislukte staatsgreep in München (eveneens in 1923) had zijn volledige sympathie en ook nadien, toen het de NSDAP allerminst voor de wind ging, zien we hem Hitler zijn steun betuigen, al werd het verschil door hem niet uit het oog verloren: de NSDAP was er om als massapartij de nationale idee te verwezenlijken, Jüngers nationalisme was er om de zuiverheid van de doctrine te bewaren en aan te scherpen.

Achteraf zijn er ook nog andere verschillen die opvallen. Jünger heeft weliswaar de mond vol van `bloed' en van `ras', maar nooit in biologische zin. Deze termen hebben bij hem eerder een symbolische of metafysische betekenis. `Het bloed is de brandstof die de metafysische vlam van het Schicksal verbrandt', schrijft hij in 1926. `Wij willen niets weten van chemische reacties, van bloedinjecties, van schedelvormen en arische profielen. Dat kan alleen maar ontaarden in onzin en haarkloverijen [...]' Wanneer Jünger over `bloed' en `ras' spreekt, bedoelt hij een specifieke mentale en morele kwaliteit: ook de frontstrijders vormen in zijn ogen een `ras'. Maar uit niets blijkt dat dit verschil in opvatting ooit zijn waardering voor de nazi's heeft belemmerd.

Hetzelfde geldt voor het antisemitisme. Bij Jünger ontbreekt het niet (hij spreekt zelfs één keer van de `destructieve kwaliteit' van het joodse `ras'), maar vindt het `joodse vraagstuk' wel een zaak van ondergeschikt belang. Het is volgens hem niet een `hoofdkenmerk van de nationalist, dat hij al bij het ontbijt drie joden verslindt'. Veel belangrijker is dat de Duitser zijn eigenheid hervindt, en daarvoor moet hij afrekenen met het `liberalisme'; de joden zijn voor hem alleen een gevaar voor zover ze via de liberale ruimhartigheid kunnen veinzen `Duitsers' te zijn.

Jüngers antisemitisme beperkt zich tot een afwijzing van het geassimileerde jodendom. Het zionisme daarentegen kan hij wèl waarderen: `Voor de jood bestaat er slechts één duurzame positie, slechts één Tempel Salomonis, en dat is de joodse orthodoxie, die ik verwelkom, zoals ik de werkelijke en uitgesproken identiteit van elk volk moet verwelkomen'. Fundamentalisme, nationaal of religieus, valt bij Jünger altijd in goede aarde. Het doet de verschillen beter uitkomen en komt als zodanig tegemoet aan zijn Nietzscheaanse levensvisie: hoe openlijker het onderscheid, des te groter de kans dat een volk in de `strijd' van het leven het beste uit zichzelf zal halen. Om dezelfde reden heeft hij er ook geen moeite mee het nationalisme in het buitenland te `begroeten'.

De breuk met het nationaal-socialisme vindt in 1929 om heel andere redenen plaats. Wat Jünger Hitler verwijt is een gebrek aan radicaliteit, wegens de `legalistische' koers die de NSDAP eind jaren twintig is gaan varen, en wegens de veroordeling van de rechtse bomaanslagen in 1929 (onder meer op het Berlijnse Rijksdagsgebouw), die Jünger juist apprecieert omdat hij in dit `anarchistisch' geweld een bevestiging ziet van zijn eigen weigering hoe dan ook aan de democratische rechtsorde deel te nemen. Dat de nazi's dit wel deden onthulde voor hem de verborgen `burgerlijke' kern van Hitlers beweging.

Op hun beurt verweten de nazi's Jünger dat diens nationalisme in de praktijk niet meer was dan een vorm van `literatuur'. Daarin hadden ze eigenlijk geen ongelijk. Hoezeer Jünger ook benadrukte dat het hem om de `daad' te doen was, in werkelijkheid bevatte zijn nationalisme van meet af aan een esthetische kern, een zeer romantische hang naar een groots en meeslepend leven, die hij op papier cultiveerde door al zijn kaarten op de zuiverheid van de leer te zetten. Daarbij moest de politieke werkelijkheid wel verbleken. In 1928 zou hij zelfs hebben gezegd: `Het nationalisme ben ik' - anders dan bij Hitler (die net zo over zichzelf dacht) bleef het in Jüngers geval bij woorden.

Dat is natuurlijk geen excuus, maar het geeft wel aan hoezeer de schrijver het inmiddels had gewonnen van de politieke propagandist. Zijn surrealistisch aandoende `aantekeningen bij dag en nacht' Das abenteuerliche Herz uit 1929 markeren de omslag. In dit wonderlijke, fascinerende boek raakt het nog niet verdwenen nationalisme (Jünger benoemt het nu als `Pruisisch anarchisme') volledig losgezongen van zijn politieke toepassing. Het is een avontuur van desperate enkelingen geworden, die in het Duitse `oerwoud' eenzaam hun pad kappen in de hoop ooit een lotgenoot tegen te komen. Jüngers altijd al aanwezige neiging tot mentale aristocratie deed uiteindelijk elke serieuze poging tot politieke effectiviteit de das om.

Daarvan heeft zijn schrijverschap geprofiteerd. Uit zijn politieke geschriften wist hij wèl de visionaire instelling te bewaren (de `dubbele' of `stereoskopische blik', die in het `tijdelijke' altijd óók het `eeuwige' weet te zien), maar het nationalisme zou hij, voor het eerst in zijn grote profetische essay Der Arbeiter uit 1932, uiteindelijk prijsgeven ten gunste van een meer `planetair' perspectief.

Naast de glans van zijn stijl (die ook in de politieke artikelen zelden ontbreekt), is dat Jüngers redding gebleken. In het huidige tijdperk van mondialisering geeft het zijn werk een nog altijd verontrustende actualiteit – juist doordat hij de moderne wereld niet beziet via de bril van een stilzwijgende liberale consensus, maar via de even onbarmhartige als mythologiserende lenzen, die in de jaren twintig van de vorige eeuw door zijn nationalistische engagement werden geslepen.

Ernst Jünger: Politische Publizistik, 1919-1933. Herausgegeben, kommentiert und mit einem Nachwort von Sven Olaf Berggötz. Klett-Cotta. 898 blz. € 50,50