Heineken

Na de dood van zo'n kleurrijk man als Freddy Heineken is overal in de kranten de anekdotetrommel opengetrokken. Daarom kan ik niet achterblijven. Ik was net lid geworden van de kunstenaarssociëteit De Kring – wij spreken hier van jaren geleden – toen ik voor het eerst begreep dat Heineken niet alleen de merknaam was van een bier, maar ook van een bestaand persoon. Zoals altijd verkeerde De Kring in financiële moeilijkheden, want de aangesloten kunstenaars dronken veel, maar betaalden weinig. Gelukkig bleek Heineken bereid om bij te springen. Een tijdje later meldde Heineken zich aan als lid van De Kring. Zijn aanvraag werd door het bestuur afgewezen. Heineken was geen kunstenaar en mocht daarom geen lid worden. Het was ook de eerste keer dat ik uit Nederland wilde emigreren.

Het duurde daarna nogal wat jaren voordat ik Heineken ook persoonlijk ontmoette. Op een keer werd ik opgebeld door zijn secretaresse: meneer Heineken wilde me spreken. Als het me gevraagd was, zou ik naar de andere kant van de wereld zijn gereisd, maar dat was niet nodig. Met twee grote auto's kwam Heineken voorrijden bij mijn bovenwoning. Ik had werkelijk geen idee wat iemand als Heineken van mij wilde, maar hij bleek te komen voor een familieaangelegenheid die ik hier wegens ruimtegebrek niet uit de doeken kan doen. Wel vertelde hij dat op zoek was naar een naamgenoot, ene Max Pam, die vlak voor de oorlog in Londen had gewoond. Hij vroeg me of ik die Max Pam kon traceren.

Ik ben toen voor hem in de papieren gedoken. Mijn grootvader, die zich weliswaar Max Pam noemde, kon het niet zijn, want die stond officieel ingeschreven onder de naam Mozes Pam. Ook Duitse en Oostenrijkse Max Pammen die door Heineken zelf uit de archieven waren opgevist, bleken niet overeen te komen met de door hem gezochte persoon. In die tijd heb ik Heineken leren kennen als een bijzonder aardige man. Er wordt nogal geklaagd over Heinekens gierigheid, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt. Als wij gingen eten betaalde hij altijd. Toen het me een keer te gek werd en ik probeerde achter zijn rug af te rekenen, bleek hij het personeel zo geïnstrueerd te hebben dat dit niet werd geaccepteerd. Hij gaf redelijke, maar geen exuberante fooien. Die houding lijkt mij volkomen juist. Het is patserig om op een rekening van tweehonderd gulden een fooi van vierhonderd gulden te leggen.

Op een keer kwam hij vragen wat hij moest doen tegen het boek dat de journaliste Barbara Smit over hem aan het schrijven was. Dat Heineken de uitgeverij wilde opkopen waar het gevreesde boek zou verschijnen, is een verhaal dat altijd verkeerd wordt verteld, maar door ruimtegebrek is het is onmogelijk hier de juiste versie te geven. Weer een andere keer reed hij voor met de mededeling dat hij iets belangrijks had ontdekt. Ik luisterde met open mond.

Helaas kan ik wegens ruimtegebrek dit verhaal niet afmaken. Men heeft namelijk besloten dat deze column korter moet. Het schijnt iets met bezuinigingen, lezersonderzoek en met Fokke & Sukke te maken te hebben. Men moet zich voorstellen dat de redactie van de Herald Tribune tegen mijn grote voorbeeld Art Buchwald zou zeggen: `Mijnheer Buchwald, vanaf morgen krijgt u driehonderd woorden minder.' Ze zouden bij de Herald Tribune nog liever hun eigen redactie opblazen. Vandaar dat u dit keer een stukje krijgt zonder einde. Volgende week krijgt u een stukje zonder begin. Hoe het daarna verder moet, weet ik niet. Uit lezersonderzoek is namelijk gebleken dat u het allerliefst een stukje leest helemaal zonder een begin, een midden en een eind. Daar ga ik vast flink op oefenen.