Geen paniek over privacy kinderen via websites

Hoogleraar Kind en Media Patti Valkenburg slaat alarm (NRC Handelsblad, 13 december): websites ontfutselen op lepe wijze `privacygevoelige informatie' aan kinderen. Waar blijkt het om te gaan? Zaken als leeftijd, geslacht, adres, mailadres en voorkeur voor bepaalde producten. Op grond van deze angstaanjagende gegevens roepen de Kamerleden Atsma (PvdA) en Bakker (D66) om wetgeving die de kinderen beschermt, liefst op Europees niveau.

Valkenburgs bevindingen zijn niet nieuw. In januari 2001 publiceerde het bureau eMarketer een `ePrivacy & Security Report'. Daaruit bleek dat kinderen desgevraagd spectaculaire informatie prijsgeven als de hoogte van hun zakgeld, het merk auto van het gezin en de favoriete winkel van de ouders.

Wat is hier precies het probleem? Dit zijn toch waarachtig geen zaken die de persoonlijke levenssfeer bedreigen? Er is bovendien geen sprake van een nieuw soort activiteit van het bedrijfsleven. Prijsvragen, proefabonnementen en andere trucs om het publiek, ook kinderen, bonnen te laten invullen met leeftijd, geslacht, adres en voorkeur voor bepaalde producten, waren er dertig jaar geleden al. Ook in op kinderen gerichte vormen.

Wij kregen dan thuis reclame in de bus, en gooiden die ongeopend weg. Moderne ouders krijgen spam op de persoon gerichte, ongevraagde reclamemail. Dat is zo ongeveer het ernstigst mogelijke gevolg van deze aantasting van de privacy. Of misschien krijgen de ouders die spam niet eens zelf, maar gaat deze naar het mailadres van het betreffende kind. En wat dan nog? Ouders die het een probleem vinden dat kinderen zo in hun koopgedrag worden beïnvloed, moeten zich wat meer met hun kinderen bezighouden en niet de verantwoordelijkheid leggen bij bedrijven, of Europese wetgeving afwachten. En als ze bang zijn dat er via websites wordt gevraagd naar écht gevoelige onderwerpen, zoals het gezinsinkomen of de waarde van het huis, moeten ze maar zorgen dat de kinderen dit niet weten. Je moet je privacy ook zélf beschermen. Overigens kunnen eenvoudig in te stellen filters in een mailprogramma met ongewenste post korte metten maken.

Alsof het heel erg is vermeldt Valkenburg dat fabrikanten zo tegen geringe kosten een markt proberen te veroveren. Dat is een rare voorstelling van zaken. Via een stuk of vijf op kinderen gerichte televisiezenders en handenvol jeugdtijdschriften worden precisiebombardementen met reclame uitgevoerd. Dit is maatschappelijk volkomen geaccepteerd, en kinderen weten donders goed wat reclame is. Het bedrijfsleven zou wel willen dat internet de marketing makkelijker en goedkoper zou maken, maar die hoop is juist in het afgelopen jaar de bodem ingeslagen. Maar dan nog: wie kan het schelen bij welke bedrijven kinderen hun zakgeld uitgeven? Rommel kopen ze toch wel.

De roep om wetgeving doet pathetisch aan. In de VS bestaat een wet tegen het commercieel benaderen van kinderen via internet. Valkenburg stelt vast dat die wet niet werkt: het gebeurt nog steeds. Geen wonder; hoe kun je juridisch hardmaken dat een site zich op een bepaalde leeftijdsgroep richt? De kwestie is eerder dat kinderen belangstelling hebben voor sites die níet voor hen zijn bedoeld. Op onwerkzame wetten zit niemand te wachten; beter is het vast te stellen dat we daar geen heil van hoeven verwachten.

Het onderzoek van Valkenburg is een hoop drukte om niets. Voorzover er een probleem is, kan dit door ouders en kinderen samen grotendeels uit de wereld worden geholpen. Valkenburg zelf wijst onbewust de weg: zij heeft zich voor haar onderzoek uitgegeven voor een twaalfjarige. Kinderen zullen met groot plezier foutieve gegevens en spook-mailadressen invoeren als iemand ze op dat idee brengt. Tot iemand dát weer een probleem gaat vinden.

Herbert Blankesteijn is internetjournalist.