`Flauberts koele stijl over grote gevoelens vind ik knap'

Bij tweede lezing ontdekte Joost Zwagerman hoe cynisch `Madame Bovary' is en hoeveel haat tegen het provincialisme er uit spreekt.

Als een rechtgeaarde liefhebber van het werk van Gustave Flaubert kan Joost Zwagerman uren praten over Madame Bovary, Bouvard en Pécuchet of over de zin en onzin die er over de Franse schrijver in vele biografieën verkondigd wordt. Madame Bovary las hij voor het eerst toen hij een jaar of vijftien was en ,,zeer ontvankelijk' voor de hartstochten van Emma Bovary, de echtgenote van een saaie provinciearts. ,,Ik leefde zeer met haar mee', vertelt Zwagerman, ,,met haar hevige verlangens en met haar drang uit het provincialisme te breken. Het had er natuurlijk mee te maken dat ik zelf hoog en droog in Alkmaar zat.'

Bij tweede lezing, rond zijn tweeëntwintigste, verbaasde Zwagerman zich er bij nader inzien over dat hij zich zo intens met Madame Bovary had geïdentificeerd. ,,De tweede keer las ik een heel ander, heel sarcastisch boek. De personages hadden met elkaar gemeen dat ze anti-helden waren. Dat had ik de eerste keer helemaal niet beseft: toen had ik mij blind en doof achter Madame Bovary geschaard. Wat ik ook pas later zag was dat haar eerste minnaar in wezen een grote boef was, een kille, harteloze man, een ouderwetse charmeur, die met grote zelftevredenheid te werk gaat. Nabokov zei al: `het domste wat een lezer kan doen is dat hij zich identificeert met een romanpersonage'. Zelf strijd ik als schrijver nu al een half leven tegen die domheid onder lezers. Maar dat is waarschijnlijk een gevecht tegen de bierkaai.'

Bij Madame Bovary bleef er uiteindelijk geen personage over waarmee Zwagerman zich kon vereenzelvigen. ,,Vanaf het begin van het boek verkeert Madame Bovary al in een toestand van bijna-hysterie. Ze is gevormd door de damesromannetjes van haar tijd. Daar zwelgt ze in, zo wil ze leven en ze houdt die tamelijk goedkope illusie voor een reële en bereikbare werkelijkheid. Het is iemand om sympathie voor te hebben, ik denk dat Flaubert dat zelf ook had.'

Wat Zwagerman ook bij tweede lezing in het oog sprong was Flauberts haat tegen het provincialisme: ,,De beschrijving van de veemarkt bijvoorbeeld, waar Emma Bovary met haar minnaar naar toegaat, is onweerstaanbaar geestig, je reinste slapstick. In gezwollen monologen wordt de lof gezongen van het rurale Frankrijk, met grote ironie en sarcasme. Toen ik me als lezer niet meer identificeerde met Emma Bovary, ontstond er een heel ander boek.' Toch werd Zwagerman de tweede keer net zo gegrepen. ,,De toon was zo zuiver, geen zin was mis, alles zit gebeiteld in elkaar. Hoewel alle personages ofwel verblind zijn door goedkope sentimenten, zoals Emma Bovary, ofwel onmachtig zijn door hun sukkelachtigheid zoals haar echtgenoot, is het boek van een grote tragedie. Je wordt nog steeds gegrepen door de dramatiek van het verhaal. Dat is heel knap. Daar leerde ik dus van als schrijver, daarom was het boek beslissend. Later heb ik ook anti-helden gecreëerd, personages met wie je je moeilijk kunt identificeren.'

Zwagerman koestert bewondering voor de schijnbare eenvoud waarmee het verhaal zich ontrolt: ,,Er komen geen ellenlange zinnen in voor, Flaubert gaat zich niet te buiten aan de lyriek die hij in eerdere, klassieke werken tentoonspreidt. Ik begreep uit zijn brieven aan zijn minnares Louise Colet dat hij letterlijk kon huilen, brullen en stampvoeten wanneer hij aan bepaalde passages bezig was. Er is bijvoorbeeld een passage waarin Emma en haar minnaar in het bos wandelen. Flaubert raakt daarbij bevangen door een bijna religieuze vervoering. Hij wordt niet alleen Emma, hij wordt ook haar minaar, de zon die schijnt, het bladerdek. De vereenzelviging met zijn personages strekt zich uit tot een vereenzelviging met de dingen en de decors – het is bijna een mystieke eenwording met zijn boek. Die extase, die gekweldheid en die grote gevoelens heeft hij weten te kanaliseren in een hele koele stijl. Dat vind ik knap en wonderbaarlijk.'

Als echte Flaubert-fan las Zwagerman ook gretig zijn brieven, waaruit een heel ander beeld van de schrijver naar voren komt dan uit diens romans. ,,Een schrijver moest volgens Flaubert in zijn fictie zijn zoals God in de schepping', zegt Zwagerman, ,,alomtegenwoordig en toch afwezig. De ironie wil dat hij uit zijn brieven zo naar voren komt als een persoon uit één stuk, dat het bijna een gewelddadige tegenstelling is tussen die twee schrijversgestalten. Ik ga niet zover als de echte Flaubertianen door te zeggen dat de brieven eigenlijk de kern vormen van het oeuvre van Flaubert, maar ze geven natuurlijk wel drama aan het werk zelf.'

Flaubert, de kluizenaar van Croisset – een schreeuwend cliché, dat Zwagerman graag nuanceert. ,,De jaren dat hij aan een boek schreef, liet hij zich niet zien', zegt hij, ,,maar als het voltooid was, dan ging hij met grote gretigheid naar Parijs en bleef daar betrekkelijk lang. Dat wordt weggedrukt door mensen die heel graag willen dat hij in zijn ivoren toren zat en zich als kluizenaar tot grote hoogten wist te brengen. Dat beeld wordt geannexeerd door hedendaagse schrijvers die een lans willen breken voor zichzelf en hun grote afwezigheid uit de inferieure mensenwereld. Kijk maar naar Flaubert, zeggen ze dan. Ze vergeten dat Flaubert soms heel lang in Parijs was en niet uit de salons was weg te slaan. Eenmaal weer thuis liet hij via brieven weten dat hij zo verknocht was aan zijn kluizenaarsbestaan. Hij had die brieven nodig als een soort zelfbezwering. Zolang hij maar lang genoeg met zijn stentorstem kon loeien dat hij een kluizenaar was, geloofde iedereen dat en ging men er nog mee dwepen ook. Je ziet ook dat recente biografen heel voorzichtig beginnen duidelijk te maken dat het met dat kluizenaarschap wel losliep. Voor mij is Flaubert de man die laat zien dat een echte schrijver zich niet laat inkaderen, zich niet laat domesticeren. De voorvechters van de ivoren-torenmentaliteit kunnen hem niet voor zich alleen claimen. Zijn zelfbenoemd kluizenaarschap is niet zo manifest en absoluut.'

Zwagerman verbaast zich erover dat er zoveel uiteenlopende interpretaties bestaan van Madame Bovary. Het is, denkt hij, het gevolg van Flauberts stijl – alomtegenwoordig en afwezig tegelijk. ,,Volgens Julian Barnes gaat Madame Bovary over ontaarding op alle vlakken. Voor Mary McCarthy is het de verspreiding van ideeën over het onschuldige platteland, voor Alan Bloom gaat het, als ik mij goed herinner, om de onmogelijke zoektocht naar de ander. Mario Vargas Llosa zegt dat het een liefdesroman is, voor Jacq Vogelaar gaat het over kitsch en kitschlectuur. Al die uiteenlopende interpretaties zijn intrigerend. Ik ga richting Llosa. Madame Bovary gaat over een vrouw die smacht naar de grote hoogte van de Liefde, maar die gekooid is in een provinciaal bestaan. Dat is en blijft voor mij de kern van het boek.'

Gustave Flaubert: Madame Bovary.

L.J. Veen, € 22,64