Eerst op Angèle, dan op Flora, die op Gulio is

`Mijn naam is Pericles Scalzone. Ik ben achtendertig jaar. Ik ben een beetje dik en heb licht grijzend haar, want volgens mijn moeder had mijn vader dat ook. Van beroep naai ik mensen in hun reet, ik sla de persoon in kwestie met een zakje zand buiten westen [...] en gebruik vervolgens antibiotica-zalf om mijn paling erin te laten glijden.'

Het boek waaruit deze passage komt heet Pericles de Zwarte. De bedenker ervan is Giuseppe Ferrandino, 43 jaar. Hij is mager en heeft zwart krullend haar. Van beroep schrijft hij boeken, drie tot nu toe. Hij slaat de lezer met tot op het bot afgekloven zinnen in het gezicht en strooit ze vervolgens zand in de ogen: ze gaan denken dat hij over de maffia schrijft. `Ik was zevenendertig jaar en maakte [...] de levensfase door waarin een individu voor een moeilijke keuze komt te staan: voortborduren op zijn dromen of er definitief van afzien. Ik neigde naar dat laatste, al sterkte het mijn zelfbeklag: een raar, oncontroleerbaar gevoel, dat soms zo sterk was dat het ook de dingen en de mensen om me heen aantastte. Ik vond eigenlijk alleen troost in literatuur of muziek'.

Schrijver dezes, Paolo Maurensig, zag het levenslicht in 1943 en maakte een anonieme levensfase door waarin hij als handelsreiziger zijn brood verdiende totdat hij debuteerde met de roman De Lüneburger variant, waarmee hij in Italië grote roem vergaarde. Zijn tweede roman Kreeftengang bevestigde zijn talent en zijn vermogen fraai gebeeldhouwde zinnen te scheppen, die zijn gepavoiseerd met een beschaafd laagje melancholie. Zijn stijl werd met Proust vergeleken, zijn toon met Mahler.

Het laatste citaat bewijst dat er in Italië niet alleen maar boeken over de maffia worden geschreven, en dat in dit land van criminelen en dramatische begrafenissen ook heus nog wel mensen rondlopen die zich laven aan literatuur en muziek. Akkoord, er zijn sujetten zoals Pericles, die in opdracht van zijn baas lastige figuren intimideert door ze van achterlangs binnen te dringen, bij voorkeur ten overstaan van bevende getuigen. Maar er zijn ook weldenkende mensen die amper weten dat ze een reet bezitten en zich daarentegen met overgave bekommeren om hun zielenroerselen, zoals in Maurensigs laatste roman Gekrenkte Venus.

Daarin treffen we een exquis gezelschap aan: een professor, een violiste, een dichter-essayist, een pianiste en een aspirant-schrijver. Ten huize van de professor en zijn echtgenote de pianiste worden beschaafde soirées gehouden, tijdens welke bijeenkomsten voortreffelijk wordt geconverseerd en gemusiceerd. Intellectuelen, waar je ook kijkt. Maar er is meer aan de hand: de professor is een ijdele kwast en zijn jonge echtgenote Angèle beschikt over een `lichaam dat doet wat het wil' en een `subtiele glimlach, een wonder van evenwicht tussen expressie en emotie'. De gevierde dichter Giulio die 'tegenwoordig aan historisch onderzoek doet' `vindt het heerlijk om met mensen te spelen' terwijl zijn geliefde Flora nu juist een `argeloze uitgelatenheid' tentoonspreidt. En dan is er nog de verteller, de `ik' van het verhaal: `hij bedrinkt zich aan [...] vrijheid' nadat zijn vrouw hem heeft verlaten. Daar komt nog bij dat ze alle vijf `een gemeenschappelijke aanleg voor eenzaamheid' hebben, zoals een astrologe ooit al eens had vastgesteld, toen zij `in ons aller geboortehoroscoop een gekrenkte Venus zag'.

Allemaal quatsch. Waar het op neerkomt is dit: de professor is eerst op Angèle, dan op Flora, die weer op Giulio is, die het liefst met zijn moeder zou willen trouwen. `Ik' is een beetje op Flora en dan ook op Angèle, maar die raakt hoteldebotel van de jonge pianist Daniël. Intussen zijn Flora en Angèle hartstikke goeie vriendinnen en kunnen Giulio en de professor elkaar niet luchten. Ja, Cupido draait overuren in deze roman van Maurensig, er wordt wat afgerotzooid. Volgens de flaptekst gaat het echter om `een gesloten wereld van een zeer grote sensibiliteit, waarin begrippen als noodlot en vrijheid, ogenblik en duur in telkens wisselende constellaties met elkaar worden geconfronteerd.' Alsof de schrijver zelf deze woorden uit zijn veder heeft laten vloeien.

`Ik liet me pijpen, waarschuwde niet en kwam in haar mond. Ze zei er niets van, maar ik wist dat ze het vervelend vond. Ze stond op om in een zakdoek te spugen.' Aldus de liefde volgens het evangelie van Ferrandino. Ranzig, naargeestig, in de geest van onze nationale viespeuk A. Moonen. Over wat Pericles bij deze daad voelt, geen woord. Uitsluitend dat (en hoe) hij staat, zit, loopt, rookt, eet, drinkt en slaapt wordt nauwgezet geprotocolleerd. Wat hij bepeinst en beraamt krijg je niet te horen, wat zijn drijfveren zijn evenmin, goddank. Het is buitenkant, of beter gezegd: het mysterie van het pantser, de binnenkant van de buitenkant. `Ik deed mijn ogen dicht, maar daarna deed ik ze weer open en dronk nog wat.'

Hoewel Pericles de Zwarte zich grotendeels afspeelt in de criminele milieus van Napels gaat Ferrandino's roman níet over de maffia of – correcter gezegd – de camorra (de Napolitaanse variant). Niet voor niets valt dat vermaledijde woord niet één keer in het hele verhaal. Zowel Maurensigs roman als Ferrandino's boek zijn in zekere zin verhalen over mensen die zich in de nesten werken, zij het in wisselende mate van opdringerigheid. Fernandino's antiheld moet na een slecht uitgevoerde klus vluchten voor zijn brothers in crime, die het samen met nog wat louche jongens van een andere clan op hem voorzien hebben. Zijn zwerftochten brengen hem in Pescara, waar hij een afgesloofde Poolse vrouw, een arbeidster in een bandenfabriek, ontmoet, die hem in huis neemt: `af en toe lachte ze [...] en liet ze twee of drie gouden tanden zien die ik een beetje walgelijk vond.' Dan keert hij terug naar Napels om wraak te nemen en zijn ex-baas geld af te persen. Hij denkt erover om daarna met de bandenfabriekarbeidster naar Polen te gaan en het geld te gebruiken om daar een winkel te openen.

Dat Ferrandino's roman verfilmd wordt wekt geen verbazing. Het is het talige equivalent van een film van Bresson met Lino Ventura (zijn in zwijgen verankerde, verweerde kop) in de hoofdrol. Korte, elliptische scènes; schrale beelden; sobere, haast mechanisch uitgesproken dialogen. Maar onder die directheid en stilistische tucht smeult een innerlijke spanning, een haast erotische intensiteit. Minimale informatie, maximale zeggingskracht. Ook thematisch is de verwantschap met Bresson opvallend: een personage dat buiten de wet wil staan, in moeilijkheden geraakt en uiteindelijk, na de nodige beproevingen, als een gelouterd mens boven komt drijven.

Diametraal tegenover het schuurpapierproza van Ferrandino, stroef en soms bijna hulpeloos geformuleerd, staat de bellettrie van Maurensig. In Gekrenkte Venus vind je niets dan keurig gepolijste en voortreffelijk vertaalde zinnen, maar de kleefkracht van het boek is nihil. Waar Pericles de Zwarte de binnenkant van de buitenkant blootlegt, daar hebben we bij Gekrenkte Venus te maken met de buitenkant van de binnenkant. Met Viscontiaanse zwier beschrijft Maurensig de Grote Gevoelens van zijn personages, maar je blijft ijskoud onder dit kunstproza omdat de personages ledenpoppen zijn, hun kommer en kwel wordt nooit tastbaar. De lezer krijgt als door een verrekijker gadegeslagen scènes voorgeschoteld, zonder dat er ook maar een vleugje voyeuristische opwinding wordt doorgegeven. Over Visconti gesproken: Gekrenkte Venus Heeft verdacht veel weg van diens film Gruppo di famiglia in un interno (ook wel: Violence and Passion). Ook daar liefde, haat en nijd binnen de muren van het huis van een professor, en ook daar personages die te zeer worden misbruikt als de verplaatsbare decorstukken van een virtuoos dramaturg.

Uiteraard zullen er lezers zijn die Ferrandino een stilistische brokkenpiloot vinden en Maurensig een begenadigd woordkunstenaar. Een soortgelijk verschil in inzicht blijkt ook wanneer de gelauwerde dichter Giulio de ik-persoon van Gekrenkte Venus beklaagt: `Ik begrijp zijn ellende, want ook ik heb een jaren durende windstilte doorstaan, waarin de woorden niet langer schitterden door hun eigen licht, niet langer stralende hemellichamen of fonkelende sterrenstelsels waren, maar taaie doornstruiken langs een bevroren pad.' Van mij mag Maurensig zijn fonkelende sterrenstelsels houden. De `taaie doornstruiken langs een bevroren pad' van Ferrandino daarentegen verdienen het gekoesterd te worden.

Giuseppe Ferrandino: Pericles de Zwarte. Vertaald door Jan van der Haar. Serena Libri, 160 blz. €16,59

Paolo Maurensig: Gekrenkte Venus. Vertaald door Els van der Pluym. De Arbeiderspers, 169 blz. €13,60