Denken is leuk, doen is beter

In haar nog prille oeuvre richt Rita Muilwijk (1950) zich vooral op prille zaken: de typische puberteitsproblemen van opgroeiende meisjes. Hoe verhouden zij zich tot hun ouders, hoe brengen zij hun verliefdheden in de praktijk, wie zijn zij eigenlijk en hoe zouden ze willen zijn? Dat zijn zo wat vragen die in de twee novellen in Bloedkoralen (1999) en in haar nieuwe roman De geluktheorie worden gesteld en soms ook beantwoord. Onzekerheid vormt de wankele basis van Muilwijks pubers, al worden ze soms ook in rap tempo wijs.

Zee, zoals de heldin van De geluktheorie nogal weids heet, vraagt zich af of zij meer zelfvertrouwen zou hebben gehad met `een slurf tussen mijn benen', als man dus. `Kon het me dan zelfs niet schelen als ik enkele tientallen kinderen op de wereld had gezet die ik nog nooit had gezien?' Deze vraag komt uiteraard niet uit de lucht vallen. Zee is verwekt tijdens een slippertje van haar moeder met een man die ze maar één keer heeft gezien en van wie ze zelfs de naam niet weet. Zodoende weet het meisje maar half waar ze vandaan komt en verlangt ze al vanaf haar kleutertijd naar een vaderfiguur, die haar om zo te zeggen compleet moet maken.

Omdat haar moeder, bewust ongehuwd, degene is die haar een vader onthouden heeft, koestert zij een hevige wrok tegen haar en probeert zij haar zoveel mogelijk op afstand te houden. Dat is niet eenvoudig, want Bellona, zoals de moeder zich noemt, is dik en zelfverzekerd en presenteert een dagelijkse talkshow van het Jerry Springerachtige soort, zodat iedereen haar kent en zij alomtegenwoordig lijkt.

Zee neemt eerst haar toevlucht tot God en de bijbel en koestert daarbij weinig coherente gedachten over goed en kwaad, de erfzonde, de duivel en het eeuwige leven. Later overweegt ze om haar spaargeld uit te delen aan de slachtoffers van de oorlog in Rwanda. `Daar zouden ze me kunnen vertellen hoe je kunt overleven zonder ouders', heet het dan wrang-komisch. Op haar zeventiende ontmoet ze James, die negentien is, maar een welhaast bejaarde indruk maakt met zijn tobberige gedenk. Hij houdt er een eigenaardige filosofie op na, die hij de geluktheorie noemt. Zee wordt verliefd op hem en maakt van een ziekenhuisopname van haar moeder gebruik om hem en zijn halfzus stiekem te volgen naar het eiland Texel. Een tijdlang probeert ze te leven naar zijn utilitaristische theorie, die goed klinkt, maar weinig soelaas biedt. Volgens die theorie heeft de enkeling geen sikkepit in te brengen, omdat zijn of haar lot afhankelijk is van de noden en wensen van de massa. Als de mensheid daarmee gediend zou zijn, en daar gelukkiger van zou worden, dan mag die ene mens zonder meer geofferd worden. Dat James zelf in de praktijk een zootje maakt van zijn eigen leven en daarmee het geluk van zijn omgeving bepaald niet vergroot, begint haar pas later op te vallen.

De geluktheorie is een Bildungsroman, maar dan van het schoolmeisjesachtige soort: grillig, van de hak op de tak springend, buitenkantig. Het is waarschijnlijk de bedoeling van de schrijfster om ons deelgenoot te maken van allerlei diepe roerselen, maar wat we zien is vooral een eindeloze reeks van gebeurtenissen. Een meeuw met een gebroken vleugel die ze proberen te redden en die dan toch dood gaat, een wandeling op blote voeten naar de Slufter, een halve vrijpartij in een duinpan, een hele vrijpartij op een doorzakkend divanbed, kroegbezoek en dronkemansgepraat. Van Muilwijks stijl is ook in haar tweede boek niet anders dan gewoontjes te noemen. Zoals in wel meer hedendaagse romans zijn de zinnen overwegend kort, vlak, beeldenloos en feitelijk. De weinig sprankelende, maar talrijke dialogen dragen nog extra bij aan het loszandige gevoel dat deze roman toch al oproept: het gevoel dat je woorden leest, geen geheel, een geschiedenis zonder kern, een verhaal zoals er zovele zijn. Slecht geschreven is het allemaal niet, maar het is zo flets, zo geur- en smaakloos.

Er gebeurt intussen wel erg veel in De geluktheorie. In het luttele halfjaar dat Zee onder moeders brede vleugels vandaan is, doet zij ervaringen op voor een heel leven. God bestaat niet, maar de liefde wel. Denken is leuk, maar doen is beter. Geen woorden, maar daden. En zo komt Zee, die haar naam eer aandoet, op het strand tot de ontdekking dat de zee overal is. Ook in haar binnenste is een zachte, rustgevende deining aanwezig, een soort oerklots, een oermoeder zelfs.

De slotsom moet wel zijn dat zijzelf de maat der dingen is en niet haar moeder, vader, vriendje, God, of welke theorie dan ook. Tot dit inzicht komt Zee trouwens pas nadat zij een zelfmoordpoging heeft gedaan, Joost mag weten waarom, die op het laatste nippertje door moeder Bellona verijdeld wordt, zodat de dames elkaar tenslotte toch nog in de armen kunnen vallen. Eind goed al goed. Het geluk, beseft Zee dan, ligt onder ieders handbereik. Als je er maar voor openstaat. Dan weet ze ook ineens, cliché op cliché, hoe haar toekomst eruit zal zien. Ze gaat schrijfster worden, van korte verhalen. Bij de Hema koopt ze twee pakken schriften en een vulpen. De rest komt dan vanzelf, lijkt Muilwijk te willen zeggen.

Rita Muilwijk:De geluktheorie. Meulenhoff. 224 blz. E15,–