De wijnfluiter en de zevende fles

Lastig: ik loop al weer enkele weken rond met een fles wijn. Niet in mijn hand, maar in mijn hoofd. Een fles Portugese Vinho Verde. Hij zit er sinds ik hem eind december tegenkwam in een vrolijk gestemd sonnet van Driek van Wissen. `Vakantiebericht' heet het. Daarin vertelt de dichter wat hij op reis zoal beleefde: `Wij dronken, onderweg in Portugal,/ per dag tenminste één fles Vinho Verde,/ maar meestal twee en doorgaans nog een derde,/ want drie is toch zo'n heerlijk rond getal.' Zo begint het. Je zou kunnen zeggen dat de stemming er meteen al goed in zit. Vrolijk rijm ook. Het kost de dichter weinig moeite om op de eenmaal ingeslagen weg door te dichten over zijn reisavonturen, met dezelfde twee rijmklanken: `En daar wij dan pas werk'lijk dorstig werden / werd nummer vier besteld als spoedgeval –/ ,,of is dit nu ons vijfde flesje al?''/ Bracht een van ons, de tel kwijt, dan te berde.'

Een aardig woord, in dit verband: spoedgeval. Meestal worden dokters uit allerlei gezelligheid weggeroepen voor een spoedgeval, maar hier zijn de rollen omgedraaid: hier zijn het als het ware de dokters zelf die het spoedgeval bestellen en het vervolgens, naar men mag aannemen, snel en efficiënt behandelen. Een spoedgeval komt er altijd onaangekondigd tussendoor en dan kan men gemakkelijk de tel kwijtraken. En wie houdt het administratief nog bij als zich twee of meer spoedgevallen zouden aandienen? Kan altijd gebeuren. Zo ook in het vakantievers van Van Wissen, waar omstreeks regel 8, ergens tussen de vierde en de vijfde fles, de Vinho Verdes wel erg veel op elkaar beginnen te lijken. Rustig blijven zitten is dan het advies, en rustig blijven doordichten. Met nog wat voorzichtige kwinkslagen en wat kalme stoplapwoorden (tenminste, meestal, doorgaans, werkelijk, dikwijls) haalt Van Wissen op eigen benen, en nog steeds zonder dubbele tong, na veertien regels precies op tijd het voorgeschreven einde van zijn spannende vakantiesonnet: `U raadt het al – daarna kwam nummer zes/ en dikwijls is het daarbij niet gebleven;/ we meden bijgelovig nummer zeven/ en namen maar meteen een achtste fles.// Ja, de vakantie was een groot succes:/ in Portugal valt heel wat te beleven!'

Het is een gedicht om misschien niet al te lang bij stil te staan, vanwege de wat beperkte thematiek, maar ik bleef er juist daarom aan haken. Mooi, die dronkemanslogica en dat dwangmatige getel, ook als men de tel vermoedelijk al kwijt is. Ook mooi: het blijven zoeken naar redenen om redeloos door te kunnen zuipen: `want drie is toch zo'n heerlijk rond getal' en andere varianten op `nog eentje om het af te leren'. En, nog mooier: die mysterieuze zevende fles die uit bijgeloof ongeopend blijft.

Volgens de naslagwerken is zeven van oudsher een heilig of volmaakt getal, met magische krachten. Men kan er ziekten mee bezweren. Men kan er steden mee verwoesten. Jozua 6:4: `En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gij zult op de zevende dag zevenmaal om de stad gaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.' En zo geschiedde en de muur van Jericho viel onder zich. Waarom zouden Van Wissen en de zijnen dan juist de zevende fles hebben gemeden?

Of denkt de geroutineerde drinker bij de zevende fles eerder aan de zevende golf? Zwemmers, zeilers en surfers vertellen elkaar dat golven in reeksen van zeven komen, en dat de zevende de krachtigste is. Het is de kunst op het juiste moment te beginnen met tellen en dan met de juiste golf mee te gaan. Sting ontleende aan deze oude Caraïbische surfwijsheid de tekst van zijn zijn lied `Love is the seventh wave', waarin de komst van een grote, alle ellende omverwerpende vloedgolf wordt voorspeld: een grote golf van liefde, die over de hele wereld zal gaan. Een goede bijgelovige reden dus om de zevende fles juist wel te openen.

Of waren Van Wissen en zijn mededrinkers in Portugal gealarmeerd door een veel onheilspellender bijgeloof? De Portugees–Nederlandse schrijver J. Rentes de Carvalho ontleende de titel van zijn roman De zevende golf (1983) aan de oude Portugese strandwet dat de zevende golf hoger en trager is dan de anderen – en verraderlijker. Plotseling kan ze een afgrond slaan in het zand en de lichamen van onschuldige strandgasten voorgoed verzwelgen. De geesten van de slachtoffers blijven gevangen in de branding en zijn voor eeuwig gedoemd bij iedere zevende golf zevenmaal hun verleden te beleven. Wie dat weet, blijft wel uit de buurt – en zal vermoedelijk die zevende Portugese fles dicht laten.

Ook om rekenkundige redenen vroeg die onaangebroken fles om aandacht. Als het gezelschap bij de vijfde fles al de tel was kwijtgeraakt, zoals de zevende en de achtste regel suggereren, hoe zeker was het dan dat die zevende fles inderdaad de zevende was? En zo ja: kon je telraamtechnisch of taalfilosofisch eigenlijk wel van `een achtste fles' spreken, zoals de dichter in de twaalfde regel doet, als het in werkelijkheid toch de zevende was die openging? Zou de god van het bijgeloof zich door zo'n listigheidje om de tuin laten leiden?

Het was natuurlijk allemaal humor, of onnavolgbaar dronkemansgeredeneer. Maar tegelijk school er voor mijn gevoel toch ook iets wezenlijk dichterlijks in dit drinkvakantievers en in dit subtiele gegoochel met bijgeloofflessen: een tijdelijke overwinning op de werkelijkheid van alledag, een kortstondige vlindervlucht uit de logica.

Het is er een beetje mee als met het verhaal dat ik eens hoorde van de twee dichtervrienden die met vakantie naar Griekenland gingen. Behalve dichter waren ze ook vogelkenner en wijnliefhebber, meer in het bijzonder van die wijn die zich zo goed aan het begin van de middag laat drinken, als de zon hoog aan de hemel staat. Het toeval wilde dat tijdens hun verblijf, tot hun verrassing en vreugde, zich elke middag in hun tuin een zeldzame vogel liet horen: de wijnfluiter. Een alleen bij zekere vogelaars en vinologen bekend klein vogeltje dat curieus genoeg begint te fluiten zodra volgens het diertje de tijd is aangebroken waarop de eerste fles ontkurkt kan worden. `Hoor ik daar niet de roep van de wijnfluiter?' vroeg de ene dichter dan, met ingehouden adem, de hand achter de oorschelp. En als de andere dichter dan aandachtig luisterde, hoorde hij hem ook.

Daar ergens, maar ik kan het niet bewijzen, schuilt voor mijn gevoel ook de geest van poëzie: in het luisteren naar de riedel van de gedroomde wijnfluiter, in het respect voor de magie van de fles waarvan we door omstandigheden al niet eens meer zeker weten of het de zevende is. Het benoemen van het net niet meer benoembare, het trachten te tellen van wat zich net tussen de regels van het telraam aan het onttrekken is. Men moet er in willen geloven, in deze geest. Dat is meteen ook een mooi beeld voor wat een gedicht is, met zijn doorzichtige vorm, gemaakt van woorden, van lucht: de geest in een fles.