De mens loopt in de weg

Fotografen willen met hun werk de wereld van de handel kritiseren. Ze kunnen het niet laten voor alles móóie foto's te maken, verhandelbare kunst, dus.

De tentoonstelling Trade in het Nederlands Foto Instituut had niet op een beter moment kunnen komen. Het afgelopen jaar zakten de beurzen met twintig procent, de dotcom-industrie explodeerde als een boterhamzakje en de handelaren die tot voor kort nog met hun neus in de lucht miljoenen opstreken, zitten nu in een hoekje naar de grilligheid van de markt te wijzen.

Dat vinden ze leuk, in de kunst.

Niet dat kunstenaars dat snel zullen toegeven. Geld is macht, ook in de kunst en voor je het weet geeft zo'n handelaar die nog wat tonnen over heeft dat geld uit aan een kunstcollectie. Bovendien is prekerigheid niet en vogue, zeker niet in de fotografie. Fotografen zien zichzelf liever als kunstenaars die de wereld als materiaal gebruiken. Afstandelijke, onzichtbare observatoren willen ze zijn, kijkers, die tonen en het overlaten aan de toeschouwer om zijn conclusies te trekken.

Wie voor een moment bereid is dat te geloven zal zich verbazen over de eenzijdige, zeg maar gerust vooringenomen houding die er spreekt uit Trade. Voor het grootste deel van de meer dan vijftig deelnemers is handel synoniem met leegte, uitbuiting en ontmenselijking. Het idee alleen al dat je over handel ook vrolijke, leuke foto's zou kunnen maken is op deze tentoonstelling bijna heiligschennis. Zowel de tijdgeest als de kunst vinden vrolijkheid, optimisme over globalisme, over handel absurd. Een fototentoonstelling over handel is automatisch een kritische tentoonstelling.

Toch, en dat is het vreemde, zijn de foto's op Trade zelden verontrustend. Natuurlijk, als Fernando Moleres in zijn serie `Verloren Jeugd' een klein, vervuild meisje in een Indiase kannenpoetserij laat zien, gaat je dat niet in de kouwe kleren zitten. Maar de foto is niet aangrijpend. Dat komt omdat Moleres in een klassieke valkuil is getrapt: hij heeft het niet kunnen laten vooral een mooie foto te willen maken. Een foto met subtiele grijzen, het licht schijnt lonkend op de blikken, het meisje levert een onmisbare bijdrage aan de compositie.

Daarmee raakt Moleres, en met hem veel meer deelnemers aan Trade, aan een intrigerend probleem, dat steeds vaker opspeelt sinds de fotografie zich opwerpt als een serieuze kunstvorm. Een identiteitsprobleem. De fotografie is van oudsher diep geworteld in de journalistiek, wat voor de hand ligt als de zichtbare wereld je werkterrein is. De journalistiek toont dingen die normaal onzichtbaar blijven, laat de wereld zien op een manier die niet voor de hand ligt, stelt misstanden aan de kaak, een zet daarmee een traditie voort waarbinnen een onderwerp als `handel' automatisch kritisch wordt bekeken. Maar met die journalistieke aspecten nemen veel kunstfotografen geen genoegen meer. Ze willen kunstenaar zijn. En goede kunst stelt andere eisen: kunst vraagt om ideeën over esthetiek, over interpretatie, stelt zich geen onthulling tot doel, maar juist meerduidigheid. Daar ontstaat voor de meeste fotografen het probleem. Ze kunnen niet kiezen. Als paladijnen van de tijdgeest willen ze de kaalheid van de geglobaliseerde wereld tonen, de leegte, de uniformiteit die handel en globalisering meebrengen. Maar ze willen geen kale, lege, uniforme foto's maken. Daar gebeurt iets bijna komisch: ze zien over het hoofd dat dat verlangen naar het maken van mooie, kale foto's rechtstreeks voortkomt uit de cultuur die ze in hun Trade-foto's aan de kaak willen stellen. Het is mode, het is het Benneton-denken dat tonen genoeg is. Het idee dat mooie, maar afstandelijke foto's, automatisch kritische kunst opleveren. Maar het is vooral verhandelbare kunst. De fotograaf die zich werkelijk tegen de handel keert, zichzelf buiten de esthetische modes plaatst, kan het als kunstenaar wel vergeten. Die verkoopt geen foto meer. En wordt al helemaal niet uitgenodigd voor een tentoonstelling als Trade.

Hoe krachtig dat mechanisme is (noem het de kapitalistische variant op Marcuses repressieve tolerantie) wordt duidelijk bij Naomi Klein, die binnen een jaar tot het perfecte logo van de No Logo-filosofie werd gebombardeerd. Dat veel van de fotografen op Trade in de val van datzelfde mechanisme trappen valt hun dan ook nauwelijks te verwijten. Maar je hoopt wel dat ze als zelfverklaarde, afstandelijke observatoren op z'n minst wat afstand proberen te houden.

Alleen daarom al is het niet moeilijk sympathie op te brengen voor Allan Sekula, de enige Trade-deelnemer die juist dit mechanisme nadrukkelijk in zijn werk betrekt. Sekula, een oude rot op de antikapitalistische barricades, toont de 81-delige diaserie Waiting for Tear Gas, een verslag van een demonstratie in Seattle. In een begeleidend statement verklaart hij dat hij met zijn serie `anti-fotojournalistiek' heeft willen bedrijven. ,,Geen flits, geen zoom- of telelenzen, geen gasmasker, geen autofocus, geen perskaart, geen druk om tot elke prijs dat ene alleszeggende beeld van dramatisch geweld te knippen.'' Sekula wil geen journalist zijn, geen kunstenaar, maar gewoon een kijkend mens, mens onder de antiglobalistische mensen. En dus blinken zijn foto's uit door eenvoud, al verraden ze wel een geoefend oog. Nadeel is dat Sekula zijn nadrukkelijke gewoonheid ook gebruikt als vrijbrief voor stereotypen – zijn fotoreeks zit vol met lieve, goedwillende demonstranten die worden geconfronteerd met koele bankbedienden in clichématige regenjassen en politiemannen met schilden en wapenstokken.

Sekula is de enige die zover durft te gaan. De meeste deelnemers kunnen zich zoveel onthechting niet veroorloven. Een enkele keer levert dat misselijk makend opportunisme op, zoals bij de foto van Kai Uwe Gundlach waarop een uitgehongerde vrouw is vastgelegd als een modern heroin-chic-model. De foto lijkt als protest bedoeld te zijn, maar de balans is zover doorgeslagen dat het louter een viering van trendy fotografie is, waarbij de erbarmelijke staat van de vrouw bijdraagt aan de hipheid van de foto.

De meeste andere deelnemers aan Trade kiezen voor een tussenoplossing: ze abstraheren de wereld van alledag. Ontmenselijken. Ze brengen de wereld terug tot patronen, kleurvlakken, een wereld met een eigen, autonome harmonie, waarin de mens maar in de weg loopt. Een typisch artistieke oplossing voor het identiteitsprobleem, die vaak mooie foto's oplevert, maar ook wat gemakzuchtig is. Deze foto's zijn mooi als middelmatige abstracte schilderijen. Prettig, maar ongevaarlijk. Dat wordt nog benadrukt doordat de meeste fotografen, om de mondiale eenvormigheid te benadrukken, met reeksen werken. Balthasar Burkhard toont enorme, in zwart-wit geschoten luchtfoto's van steden als Tokio en Los Angeles, oneindige zeeën van beton waar de mens nauwelijks nog tussen lijkt te passen. Jacqueline Hassink komt met een reeks vergadertafels van raden van bestuur van grote bedrijven (allemaal dezelfde poenige designmeubels). Frank Breuer toont de monotone prefab-fabriekshallen die alleen maar verschillen door het bedrijfslogo op de bovenkant. Florian Schwinge exposeert luchtfoto's van verkeersknooppunten, bij voorkeur met veel kruispunten en klaverbladen. Zonder uitzondering zijn het goede foto's, scherp gezien, maar ook koket. Als toeschouwer weet je dat het kale, troosteloze plekken zijn, die nu worden opgetild, een toegevoegde waarde krijgen door het almachtige oog van de fotograaf. Dat heeft iets van een joviale zelf-felicitatie. Te zelfingenomen. Te serieus.

Want dat is wat ontbreekt op deze tentoonstelling: een fotograaf die durft te breken met de fotografische tijdgeest. Een paar deelnemers die de vreugde van de handel zouden hebben gepresenteerd, hadden de oprecht kritische bijdragen aan Trade een stuk schrijnender gemaakt. Ook een fotograaf als Martin Parr, die al jaren zijn genadeloos oog over de handel in vrije tijd laat gaan, zou met zijn cynische, humoristische beelden een bredere blik hebben geboden.

Nu ben je op Trade al blij als je een fotograaf ontdekt voor wie handel niet automatisch synoniem is met leegte, kou en ontmenselijking. Die zijn er wel degelijk, maar ze vallen nauwelijks op doordat ze grotendeels dezelfde werkwijzen hanteren als hun meer vooringenomen collega's. Maar er is een verschil: zowel Wout Berger als Andreas Gursky durven de schoonheid die de handelswereld soms van zichzelf bezit, toe te laten in hun foto's. Zo maakte Berger een prachtige reeks beelden van plantenkassen, die laat zien hoe de kleur, schoonheid, bevalligheid van bloemen en planten kunstmatig worden gekweekt. Juist het contrast tussen het glas en het metaal van de kassen en de vlammend bloeiende bloemen of de grillig krinkelende bomen maakt deze foto's prachtig.

Het meest intrigerende werk op Trade is echter de klassieker Salerno (1990) van Andreas Gursky. De Duitse fotograaf legde vanaf een heuvel de haven van Salerno vast, met containers, een parkeerplaats van nieuwe auto's, de bergen in het achterland. De compositie van het geheel is zo subliem, de kleurschema's, het atmosferisch perspectief zo overtuigend dat het geheel als schilderij ongeloofwaardig, want te gecomponeerd, zou lijken. Maar het was echt. Gursky hoefde er niets voor te doen – behalve te kijken.

En hij zag. Hij zag dat de mens in al z'n nijvere handelsdriften, zonder het te willen een perfect schilderij had geschapen. Hij legde het vast. En stiekem verdenk je hem ervan dat-ie de havenmeesters, de fabrikanten en de autoparkeerders, diep dankbaar was voor deze buitenkans.

Trade. Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63, Rotterdam. Di t/m zo 11-17u. Inf. www.nfi.nl