De dagelijkse fictie van Amerika

Die Paul Auster toch. Krijgt hij eindelijk de kans om kennis te maken met personages van vlees en bloed (lieden die in zijn romans zo node gemist worden), weet hij het weer te verknoeien. Als leidsman van het National Story Project, een initiatief van Amerika's National Public Radio, vraagt Auster de luisteraars verhalen in te zenden die hij vervolgens voor zal lezen. En wat doet Auster? Hij vraagt de luisteraars om `true stories that sound like fiction'. Dat zijn diepe wens `an archive of facts, a museum of American reality' samen te stellen door de aard van de uitnodiging niet vervuld zal worden, voel je dan ook aan je water. En dat Auster tot zijn eigen verbazing in zijn oeverloze en pathetische voorwoord bij de door hem bezorgde bundel vaststelt dat `more often than not, our lives resemble the stuff of eighteenth-century novels' (waarmee hij doelt op een ware lawine aan `incredible plots'), maakt hem nog onnozeler dan ik hem inschatte vóór dit project. Want als je erom vraagt kun je het krijgen ook, natuurlijk: echte verhalen die als fictie klinken, met van die ongelooflijke achtiende- en negentiende-eeuwse plots, waarin het lot zich bij voorkeur gedraagt als de meest drukke diender van het toeval.

Dat burgers en buitenlui kunnen schrijven is bekend. In Nederland kennen we de scherpe pen van de ingezonden brievenschrijver en de voorbeeldige dosering van de verhalende burger tijdens vergelijkbare projecten als dat van Auster, zoals onlangs nog gedemonstreerd werd in de serie De Buurt van de Volkskrant. Daarin is meer goed geschreven couleur locale te vinden dan in menig moderne Hollandse roman. Maar Auster lijkt geheel onbekend met het fenomeen van de gewone verteller, en dat in het land van talkradio, praatshow en voor camera's orerende voorbijgangers over `what just happened'. Het gevolg is dat we niet enkel ontelbare `incredible plots' voor de kiezen krijgen, maar ook dat Auster het nodig heeft gevonden het boek onder te verdelen in thema's zoals `animals', `objects', `families', `war', waardoor de eentonigheid van het gebodene nog doffer begint te dreunen.

En daarmee doet Auster de inzenders tekort. Want dat de Amerikaanse burger kan schrijven blijkt vanaf de allereerste bladzijde van dit boek. Stilistisch zijn het meesters in bondige formuleringen. Met minimale middelen worden onvergetelijke decors opgeroepen, in luttele alinea's krijgt een complete levensloop gestalte, familiebanden worden in een enkele zin uit de doeken gedaan en om to the point te komen voldoet vaak al een halve bladzijde. Een verademing, nu de jongste generatie Amerikaanse romanciers zich voornamelijk nog bezig schijnt te houden met wie de dikste kan laten zien.

Auster hamert er in zijn voorwoord echter op dat maar een klein deel van deze verzameling `resembles anything that could qualify as ,,literature''. Lief bedoeld, maar neerbuigend klinkend, en ook nog eens onwaar. Want het gros van de verhalen in dit boek doet nu juist een poging een even klassieke als oubollige, enkel nog voor knutselzieke symbolisten verteerbare constructie na te volgen, met dank aan die specifieke uitnodiging. Ter illustratie volgt hier het complete Case Closed.

`As a teenager in the 1950s, I went to visit my cousins in Bloomington, Illinois. While walking together one day, we were arguing about the wording of a popular song. I said they were saying, ,,an Indian named Standing Bear'. My cousing said it was ,,Standing There'. As we continued along, I noticed a piece of paper on the sidewalk. I picked it up, and it was the sheet music for that very song. There was no further argument. I was right of course'. Auster krijgt er geen genoeg van en lepelt lustig een slordige honderdvijftig variaties uit de vierduizend inzendingen.

Je raakt je fiets kwijt in Duitsland tijdens de oorlog? Je vlucht naar Engeland en krijgt het ding via een bizar toeval terug. Je verliest je naamgenote uit het oog, en je hebt al zo'n unieke naam? Welnu, acht jaar later woont ze warempeltje plotsklaps tegenover je. Er komt een onbekende foto uit de lucht vallen terwijl je thuis aan het werk bent? Tegenover je zijn lieden op bezoek en die blijken vroeger in je huis te hebben gewoond. Ze herkennen de foto en hoepla, weer een realistisch, maar fictief aandoend verhaaltje rond. Gods own country blijkt Faith's own country te zijn geworden.

Slechts enkele verhalen ontsnappen aan een plot, en dat zijn dan ook vaak de beste, de meest schrijnende én realistische verhalen. Zo vertelt een meisje over een autorit door de woestijn op weg naar Las Vegas. Onderweg stuiten zij en haar vriendin op een vreselijke ravage. Een vrachtwagen afgeladen met zeventien Mexicaanse immigranten is verongelukt. Doden, gewonden en een taalbarrière zorgen in slechts drie bladzijden voor horror, compassie en de lulligheid van het EHBO-doosje dat de meisjes bij zich hebben. Ze eindigt haar verhaal zo: `Wat kun je beginnen met zo'n verhaal? Er is geen les, geen moraal, zelfs amper een einde. Je wilt het vertellen, het verteld horen, maar je weet niet waarom.' Had Auster de opdracht zo geformuleerd, dan hadden we een veel rijker boek gehad, had de dame die dit verhaal inzond deze slotalinea weg kunnen laten en zouden we niet meer malen om de vraag of we hier nu wel of niet met literatuur te maken hebben.

Jammer. Want hoeveel onbetaalbare zinnetjes en scènes staan er niet in dit boek. Maar een `Museum of American reality' is het niet. Daarvoor zullen we toch weer te rade moeten gaan bij die Amerikaanse schrijvers waarvan Paul Auster waarschijnlijk niet eens weet dat ze bestaan.

Paul Auster (ed.): I Thought My Father Was God and other true tales from NPR's National Story Project.

Henry Holt, 383 blz. €27,25. Ook verkrijgbaar als True Tales of American Life. Faber & Faber, €23,61. De Nederlandse vertaling verschijnt in juni bij De Arbeiderspers.