Andy Warhols lichaam

`When I got my first TV set, I stopped caring so much about having close relationships with other people', schrijft Andy Warhol in The philosophy of Andy Warhol (From A to B and Back Again). Een typische Warhol-uitspraak in zijn ontluisterende eerlijkheid, die zelfs zijn meest leeghoofdige opmerkingen nog een subversieve klank geeft, ook als ze misschien niet zo zijn bedoeld. Volgens Warhols jongste biograaf, Wayne Koestenbaum, klopt er echter weinig van. Hoe graag Warhol ook wilde opgaan in de massa, hij slaagde er niet in om aan zichzelf te ontsnappen.

Koestenbaum schreef eerder een veelgeprezen studie over Jackie Kenedy: Jackie Under My Skin: Interpreting an Icon. De rouwende weduwe van John F. Kenedy was in 1964 het onderwerp van een serie beroemde zeefdrukken van Warhol. Maar om die bekende beelden – de soepblikken van Campbell, de flessen Coca-Cola, de Marilyns en Elvissen – gaat het niet primair in Koestenbaums Andy Warhol. Hij breekt vooral een lans voor Warhols films. Die films zijn al deccenia niet meer te zien, maar worden momenteel gerestaureerd in het Warhol-museum in zijn geboorteplaats Pittsburgh. Volgens Koestenbaum zal dat onherroepelijk leiden tot een herwaardering van Warhols oeuvre. Het belang van de films doet volgens hem niet onder voor het beeldende werk.

In de films is nog beter dan in de schilderijen te zien, dat achter de onpersoonlijke, `koude' stijl van Warhol, en de gecultiveerde schijn van oppervlakkigheid, intieme obsessies schuilgaan. Die hebben betrekking op zijn eigen lichaam en homoseksuele begeerte. Warhol was overtuigd van zijn eigen onaantrekkelijkheid; hij kocht zijn eerste pruik toen hij 25 was en hij liet al in de jaren vijftig een nose job uitvoeren. Hij ontwikkelde zich tot voyeur, met sado-masochistische trekken. Dat keert terug in de experimentele films die hij in de jaren zestig maakte met zijn entourage in de Factory.

In Blow job (1964) is veertig minuten lang een man in extase te zien, terwijl alleen zijn gezicht in beeld komt. In Sleep, zijn eerste film uit 1963, wordt vijf uur lang uitsluitend een slapende man in beeld gebracht. Volgens Koestenbaum maakt de erotische lading de lengte van die film dragelijk. `Warhols vermogen om te genieten van verveling is de seculiere, artistieke vertaling van heilig geduld, van stoïcisme – de bereidheid te wachten op de Verlosser.' Helemaal overtuigend is dat niet, maar voor zover het beeld van Warhol als afstandelijke, a-seksuele albino nog bestaat, is het door Koestenbaum definitief ontkracht.

Ook Warhols voorliefde voor wegwerpprodukten in zijn kunst leidt Koestenbaum terug tot een lichamelijk trauma. Vanaf het einde van de jaren veertig moest zijn moeder, waarmee hij bijna zijn hele volwassen leven heeft samengewoond, als gevolg van darmkanker een stoma dragen. `Haar binnenkant en buitenkant waren traumatisch omgekeerd', schrijft Koestenbaum. `In kunst zou hij, ook, afval op een ongemakkelijke manier naar de oppervlakte halen.' Dat is een erg eenzijdige verklaring voor de ontwikkeling van Warhols werk, en voor het ontstaan van Pop Art, maar het tekent de durf van Koestenbaum.

Wayne Koestenbaum: Andy Warhol. A Penguin Life. Lipper/Viking, 224 blz. E29,88