Als een coyote in de nacht

Barbara Kingsolvers vorige boek, The Poisonwood Bible, was dat zeldzame voorbeeld van een Amerikaanse publiekshit die zijn succes werkelijk op literaire gronden verdiende; het stond meer dan een jaar op de bestsellerlijsten, tussen de vliegveldromans en de self-helpboeken. Des te verwonderlijker omdat het boek niet alleen een zeer exotische achtergrond maar ook een zeker niet algemeen aanvaarde politieke strekking had.

In haar nieuwe roman Prodigal Summer is de schrijfster terug op vertrouwd, Amerikaans en ecologisch terrein. Ze vertelt alternerend drie verhalen, over drie eigenzinnige vrouwen ergens in de Blue Ridge Mountains. De vertellingen worden door elkaar gevlochten, er is de minieme suggestie dat ze naar het eind elkaar zullen raken, maar dat gebeurt niet werkelijk. Wat het boek zijn eenheid geeft is de thematiek, de boodschap dat Amerikanen (en dan met name de mannen) te roekeloos met hun ecosysteem omspringen. Om te illustreren hoe het wèl moet schiep Kingsolver drie vrouwelijke hoofdpersonen die we beurtelings volgen in hun taaie strijd tègen maar ook hun ontkoombare affectie vóór dat onwetende andere geslacht.

Allereerst is daar Deanna Wolfe die in een hut woont op Zebulon Mountain waar ze in opdracht van de National Park Service een onderzoek doet naar coyotes – het meest gehate dier in Amerika. Deanna wordt elke maand in haar professionele maar zelfgekozen isolement van proviand voorzien, maar krijgt op een dag ook bezoek van een knappe jonge jager die Eddie Bondo heet – en die het in belangrijke mate op haar studie-object heeft voorzien. Ze leert hem constant de les over de functie van de roofdieren in het ecosysteem, maar zijn stijfkoppigheid verhindert haar niet verliefd op hem te worden. Ze is niet bestand tegen zijn jeugdige argeloosheid, die hem bijvoorbeeld in staat stelt zonder nadenken na een gesprek over reukvlaggen een klaterende plas te doen op het terrein voor haar hut.

Op aangrenzende boerderijen in het dal wonen respectievelijk de bejaarde Garnett Walker en Nannie Rawley die een vergelijkbaar diepgaand geschil hebben. Nannie heeft het niet zo op pesticiden, en haar weigering haar appelbomen ermee te bespuiten is desastreus voor alles wat groeit op het land van haar knorrige buurman.

En dan is er, in dezelfde vallei, Lusa Maluf Landowski, van joods-Palestijnse afkomst, tijdens haar studie entomologie verliefd geraakt op een boerenzoon uit deze buurt. Toen ze met hem trouwde kreeg ze er wel heel nadrukkelijk de bijna achterlijke extended family van haar man bijgeleverd – en als hij overlijdt is er alleen nog maar die verstikkende familie, in een verstikkende omgeving, waar ze aan vastzit. Hoewel de schoonfamilie (en niet alleen de mannen, moet er eerlijk bij gezegd worden) unaniem hoopt dat ze zo snel mogelijk weer teruggaat naar waar ze vandaan komt, blijft Lusa haar eigen land bewerken, tegen alle adviezen in, op een onorthodoxe manier met onorthodoxe gevolgen.

Kingsolver is een subliem stiliste, die ook hier vooral in de erotische taferelen prachtig schrijft over vruchtbaarheid, dierlijke geurstoffen en de aardse zowel als de kosmische kanten van het liefdesspel. Het boek levert tot aan het slot voldoende scènes op die niet alleen getuigen van Kingsolvers diepe empathie met het dierenrijk maar ook van haar enorme talent; het slothoofdstuk, waarin ze de nachtelijke tocht van een vrouwelijke coyote beschrijft is een prachtige afsluiting en een overtuigende onderstreping van de gedachte dat `eenzaamheid een menselijke veronderstelling is. Elke rustige stap betekent een donderslag voor het leven van de kevers onder onze voeten, een ruk aan een ongrijpbare draad in het web dat mannetje naar wijfje trekt en roofdier naar prooi, een begin of een eind. Elke keuze is een wereld die opnieuw geschapen wordt voor de gekozenen.'

Het probleem is niet zozeer dat de drie vertellingen niet heel nadrukkelijk convergeren aan het eind – want dat is misschien juist wel een opluchting temidden van de producten van de Creative Writing Schools die tot ons geraken, en niet alleen vanuit Amerika. Het probleem is vooral dat de drie verhalen te eenvormig zijn, in de zin dat het telkens de vrouw is die de man een lesje leest over de natuur en de kwaadaardige rol van de mens daarin. Die lesjes zijn, zelfs voor de sympathiserende lezer, af en toe zo opgelegd dat ze de vertelling in de weg zitten, en daarmee afbreuk doen aan de kwaliteit van de roman.

Kingsolver heeft een boodschap – en dat is er een waarmee menig lezer zijn of haar sympathie zal willen betuigen. Het echte probleem van dit boek is dat Kingsolver als boodschapper de casting wat eenzijdig heeft behandeld en de boodschap wat te nadrukkelijk op ons wil laten inwerken. De didactische momenten deden me herhaaldelijk bedenken dat ze beter als pamflet de wereld in gestuurd hadden kunnen worden. Gegeven Kingsolvers status was dat dan zeker met sympathie ontvangen. Maar in deze gaaf gestileerde, maar voor het overige merkwaardig hybridische roman zijn het te vaak deze momenten, die ertoe bijdragen dat het kaliber van The Poisonwood Bible niet gehaald wordt.

Barbara Kingsolver: Prodigal Summer. HarperCollins, 444 blz. €15,89 (pbk). De Engelse pocket-editie verscheen bij Faber and Faber, €10,89 De Nederlandse vertaling verschijnt oktober dit jaar bij Prometheus.