Orfeo ed Euridice

Het probleem met de opera Orfeo ed Euridice van Gluck is welke versie te kiezen. Gluck zelf maakte er twee: in 1762 voor Wenen en in 1774 voor Parijs. Die laatste versie biedt onder andere meer balletmuziek, want voor de Fransen was opera sinds de danslustige Lodewijk XIV ondenkbaar zonder een fikse balletakte – ook Verdi en Wagner ontkwamen niet aan die regel.

Dan was er nóg een Parijse versie, in 1859 gemaakt door Hector Berlioz. Die aan de toenmalige orkestpraktijk aangepaste versie van de toen al zeer oude muziek van Gluck was ongeveer een eeuw lang de vroegste opera op het repertoire van de operatheaters. Die licht-romantische versie lag aangenaam in het oor en genoot enkele decennia geleden nog grote populariteit – Kathleen Ferrier was een geliefde Orfeo en de weldadig etherische Dans van de zalige geesten omlijstte sfeervol het tv-programma Kunstgrepen van Pierre Janssen.

Tegenwoordig zijn er uiteraard vooral min of meer `authentieke' opnamen van Orfeo ed Euridice. Hartmut Haenchen maakte met zijn Kammerorchester Carl Philipp Emanuel Bach een overtuigende opname van de Weense versie, aangevuld met de Franse balletmuziek (Capriccio, 1989). René Jacobs biedt bij het befaamde Freiburger Barockorchester de Weense versie puur. Voor ouderen is het wennen, zijn opname klinkt soms wat streng, zijn zalige geesten zweven niet zoals vroeger, maar er klinkt ook veel verrassends, bijvoorbeeld enkele ongehoorde uithalen in Che faro. Bernarda Fink, Veronica Cangemi en Maria Cristina Kier zingen goed.

Orfeo ed Euridice: Harmonia Mundi 901742.43 (2 cd)