Kleurrijke Rus Oboechov componeerde in rode inkt

Met bezwerende hand- en armgebaren bespeelde prinses Marie-Antoinette Aussenac de Broglie het vonkenspuwend Croix Sonore, een variant van het elektronische `trautonium'. In het midden van de jaren twintig was dit instrument de grote sensatie op concerten in Brussel en Parijs van de Russische futurist en mysticus, Nikolaj Oboechov (1892-1945). Zoals Messiaen moeiteloos het vroege elektronische instrument onder Martenot in het orkest wist in te voegen, zo integreerde Oboechov het Croix Sonore in onder meer het oratorium Knagazizna (La Livre de Vie), zijn chef d'oeuvre bedoeld als een ceremonie ter voorbereiding van Christus' komst.

In de serie `Tijdgenoten' in het Amsterdamse Concertgebouw kreeg men een goede indruk van deze zeldzaam kleurrijke figuur, die zijn muziek noteerde met rode inkt als een symbool voor het vergoten bloed bij de communistische revolutie. Oboechov beschouwde zijn werk in navolging van de ikonenschilders als een gift uit de hemel. Al in 1918 verwerkte Oboechov, schrijver van een Traité d'harmonie tonale, atonale et totale, regelrechte twaalftoonscomplexen zoals in Akrov! (Le sang!) uit de Vier Balmont Liederen. Ze werden hier gespeeld door het Asko-Schönberg Ensemble in de flamboyante instrumentatie van Elmer Schönberger, ook al hoor ik Akrov! toch liever in de monochromer maar meer gebeitelde originele pianozetting. Het werd overigens in extatische vreugde meer dan schitterend gezongen door de Canadese sopraan Barbara Hannigan, snijdend hoog maar allesbehalve iel.

Alexander Raskatov (1953) die zich verdiepte in de Russische futuristen, heeft in zijn eigen stijl, gehoord het nieuwe requiem The last freedom (2001) voor koor en ensemble, het nodige gemeen met het ongebreideld groteske karakter van de twintiger jaren-muziek. Daarnaast zijn invloeden te horen van vooral Schnittke en zelfs Orff. Zijn oeuvre spitst zich toe op vocaal-instrumentale kamermuziek, maar ditmaal verraste hij met een groots opgezette compositie op Slavische, Latijnse en Hebreeuwse teksten in zeven delen. Elk deel wordt voorafgegaan door een ascetisch funèbre, in tegenstelling met de afwisselend felle dan wel zoetgevooisde delen, zoals een alt tegen een zoemkoor. Waar elke ontwikkeling ontbreekt, moet Raskatov het wel hebben van sterk aangezette contrasten.

Het Russische karakter is gegarandeerd in veel weemoed en wodka, veel diepe bassen en eindeloze berkenbossen, zij het met meer hysterie dan mysterie. En dat allemaal ongrijpbaar geïroniseerd als gemaskerde muziek. Naar mijn smaak is het te weinig geconcentreerd, zeker in vergelijking met Oboechovs miniaturen, die je doen snakken naar zijn groot oratorium.

Bijna vergat men bij dit Russische geweld de toch niet te versmaden omlijsting met Ligeti's vloeiende Ramifications voor twaalf solostrijkers en Messiaens nauwelijks minder plooibare Trois petites liturgies heel delicaat gezongen en gespeeld. Cappella Amsterdam ontwikkelt zich steeds sterker.

Concert: Asko en Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Gehoord: 8/1 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 30/1 20.02 uur.