Eten en genen

Tomaten die langer houdbaar zijn, maïs die minder bestrijdingsmiddelen tegen onkruid nodig heeft, gistcellen voor kaasstremsel, rijst met extra vitamine-A, aardappels die resistent zijn tegen de aardappelziekte, landbouwzaad dat niet meer kiemt. Willen we dat als consumenten en willen we dat ook als deze resultaten bereikt worden door genetische modificatie? Andere mogelijkheden: zalmen die in kouder water gekweekt kunnen worden, koeien die BSE-vrij zijn of die melk zonder verzadigde vetten leveren.

Deze negen voorbeelden zijn gebruikt voor het maatschappelijke debat over biotechnologie en voedsel dat vorig jaar is uitgevoerd door een commissie onder leiding van de gerespecteerde D66'er Jan Terlouw. Waarbij de eerstgenoemde zes voorbeelden werkelijk bestaan of in ontwikkeling zijn, terwijl de laatste drie voor deze gelegenheid zijn verzonnen. De neerslag van het publieke debat werd gisteren gepresenteerd. Het is een interessante oefening in meningsvinding.

Biotechnologie is een onderwerp waarbij uitgesproken conclusies niet bij voorbaat voor de hand liggen. Daarvoor is de materie te complex: hoewel al decennialang sprake is van onderzoek naar en toepassingen van genetische modificatie van gewassen en dieren – en genetische veredeling teruggaat naar de eerste fase van de menselijke beschaving toen nomadische jagers en verzamelaars overgingen op sedimentaire veeteelt en landbouw – is het publieke besef achtergebleven. Internationaal is bij soja, maïs en katoen in aanzienlijke mate sprake van `transgene gewassen' en andere toepassingen dringen zich op. Hierdoor bevatten veel voedselproducten waarin soja of maïs zijn verwerkt, genetisch gemodificeerde bestanddelen. Pas de laatste tijd groeit de belangstelling voor het onderwerp, en dan vaak ingegeven door alarmerende verhalen over `Frankenstein-voedsel', over de effecten van genetisch gemodificeerd koolzaad op een zeldzame vlindersoort of over de greep van multinationale biotechondernemingen op arme boeren in ontwikkelingslanden.

Voor de antiglobaliseringsbeweging is genetisch gemodificeerd voedsel een van de speerpunten van actie. Met name in Frankrijk leeft dit. Actievoerder José Bové is uitgegroeid tot een nationale held en het protest tegen gen-voedsel gaat daar vloeiend over in emotionele acties tegen Amerikaanse invloeden en voor behoud van de Franse voedseltradities.

Zo niet in Nederland. Hier blijkt de consument sceptisch maar niet onwelwillend tegenover genetisch gemodificeerd voedsel te staan. Als het ergens goed voor is, dan mag het onder voorwaarden. Waarbij opvalt dat de kenniskloof tussen publiek en deskundigen groot is. Dat is niet verwonderlijk. De technologieën zijn ingewikkeld en spelen zich af in reageerbuisjes. Standpunten over gen-voedsel hebben niet alleen met bezorgdheid over veiligheid en gezondheid te maken, maar ook met wantrouwen jegens techniek en wetenschap. Dat is deels een kwestie van gewenning: weinig mensen pleiten voor afschaffing van het elektrische licht, maar de technische mogelijkheden van aanpassingen in het DNA van planten of dieren stuiten op weerstand. Waarbij een afnemende schaal van aanvaarding bestaat als het gaat om medische toepassingen, toepassingen bij dieren of bij planten.

Het debat Eten en Genen komt niet tot dwingende conclusies, of het zou moeten zijn dat voorlichting en keuze voor de consumenten belangrijk zijn en dat een onafhankelijke instantie die waakt over de veiligheid van voedselproducten wenselijk is. Het is nuttig dat de discussie over deze ingewikkelde zaak in het publieke domein is getrokken. Maar juist omdat de kloof tussen kennis en perceptie zo groot is, hadden Terlouw en de zijnen meer lef mogen tonen in hun rapport over gen-voedsel.