Vraag en aanbod

Nederlanders zijn geen stakers. Bijna nergens in Europa wordt zo zelden het werk neergelegd voor hogere lonen als in de polder. De stakingen bij het spoor vorig jaar waren geen trend, maar een categorale oprisping met treurige gevolgen. In de breedte is het woord `matiging' ook na zeven vette jaren nog gemeengoed. Deze relatieve arbeidsrust bevordert de concurrentiepositie en is een van de oorzaken van het succes van Nederland.

Maar dat succes bijt zich de laatste tijd meer en meer in de eigen staart. Want als er al voor geld wordt gestaakt, dan is het in de (semi)publieke sector. Na onderwijzers, leraren, verpleegkundigen en huisartsen, zijn vandaag wederom crèchemedewerkers onder leiding van de twee grootste vakbonden tot actie overgegaan. Aanleiding is een meningsverschil over de CAO. De bonden eisen, alles bij elkaar opgeteld, zeven procent loonsverhoging plus betere secundaire voorwaarden. De werkgevers in de kindercrèches willen niet te ver afwijken van de vierprocentsnorm die afgelopen najaar door de sociale partners in het tripartite-overleg met het kabinet is vastgelegd. Bovendien voelen ze zich gesterkt door een separaat akkoord dat ze hebben gesloten met de kleinste vakbond aan de onderhandelingstafel.

Conflicten over arbeid en inkomen zijn voor buitenstaanders ondoorgrondelijk. Het gegoochel met percentages is vaak alleen toegankelijk voor de onderhandelaars zelf, die dan ook met liefde opgaan in de decimalen achter de komma. De burgers om wie het ook draait – vorig jaar de treinreizigers, nu de werkende ouders met jonge kinderen – blijven in verwarring achter.

Toch geven de werkstakingen in de crèches te denken. Als het gaat om kinderopvang komt Nederland van ver. Dat heeft vooral te maken met de traditie dat vrouwen hier decennialang niet geacht werden te werken, maar beter op hun plaats waren als ze voor de kinderen zorgden. Die tijd is gelukkig voorbij. De economische opleving van het afgelopen decennium is zelfs voor een belangrijk deel te danken aan de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, zij het dat ze vaak nog parttime moeten werken om tijd over te houden voor het thuisfront. Kinderopvang blijft derhalve een belangrijke voorwaarde om deze ontwikkeling naar gelijkwaardigheid op de arbeidsmarkt verder te stimuleren. De overheid beseft dat de huidige situatie (125.000 volledige plaatsen voor 200.000 peuters) wringt. In 2003 moet het aantal plaatsen met ruim 40 procent zijn uitgebreid. Maar intussen is de crèche een marktconform product. De vraag is groot, het aanbod blijft achter en dus stijgt de prijs.

Het is jammer dat de vakbonden opnieuw onvoldoende fantasie blijken te hebben om andere actiemiddelen te beproeven – de stakingen duperen andere werknemers – maar morele verontwaardiging is evenmin gepast. Zolang de markt uit balans is, bepaalt de schaarste de prijs. Pas als het aanbod op peil is, hetgeen overigens ook geld kost, is een beroep op arbeidsrust realistisch.