Verval van poldermodel dient snel te worden aangepakt

De verantwoordelijkheden van overheden en sociale partners moeten duidelijker worden afgebakend, vinden Hans Wijers en Thom de Graaf.

Het gemopper over het poldermodel dateert al van ruim voor de naamgeving in de jaren negentig. Al in de jaren zeventig en tachtig constateerden diverse critici dat naoorlogse Nederlandse pretenties van loonkostenbeheersing en sociale vrede in de praktijk steeds minder werden waargemaakt. Het akkoord van Wassenaar snoerde hen even de mond, maar in de jaren negentig groeide opnieuw de zorg dat de vermeende voordelen niet opwogen tegen nadelen als stroperige besluitvorming en vervagende verantwoordelijkheden. Ook toen al werd het `primaat van de politiek' geacht bedreigd te worden door de al te dominante invloed van werkgevers en werknemers.

Inmiddels lijkt het gemopper te zijn overgegaan in een regelrechte aanval. De overlegsamenleving, de gedoogcultuur, het polderen – we doen er nog de oude gulden bij en weg ermee. De aantijgingen zijn massaal en de pijlen komen uit alle richtingen. De sociale partners die te lang praten, bestuurders in overheidsorganisaties die verantwoordelijkheid afschuiven, politieke leiders die niet beslissen, ze moeten het allemaal ontgelden.

Zijn de aanvallen op het poldermodel onterecht? Nee, dat zijn ze niet. Ze zijn vooral een metafoor van de breed levende behoefte aan verbetering van ons maatschappelijk besturingsmodel.

Het meest gehoorde verwijt tegen het poldermodel richt zich tegen de sociale partners, met name de vertragende werking van de ermee geassocieerde overlegcultuur. Wij delen de kritiek op die traagheid, maar betwijfelen of dat in eerste instantie de sociale partners moet worden aangerekend. Als die partners één onomstreden verantwoordelijkheid hebben, dan is het wel de totstandbrenging van arbeidsvoorwaarden, veelal door het collectieve middel van de CAO. Anders dan het jaarlijkse rituele verbale pingpongspel van centrale werkgevers- en werknemersorganisaties soms lijkt te suggereren, is dat proces in hoge mate gedecentraliseerd – en zo hoort het ook. Tot heel bijzondere prestaties op het gebied van de relatieve arbeidskosten heeft dit uiteindelijk nu ook weer niet geleid. En het heeft ook niet geholpen onze economie tot één van de meest innovatieve te maken.

Andersom zijn er ook geen harde bewijzen, dat de innovatiekracht erdoor is geremd.

Toch mogen we ons in Nederland gelukkig prijzen met sociale gesprekspartners die als in weinig andere landen het vermogen hebben om op hun beste momenten een brede achterban nuchter en zakelijk te representeren. Alle opgeklopte en vaak overdreven internationale waardering voor het poldermodel neemt niet weg dat de Nederlandse vakbeweging binnen dat model genegen was om nationale verantwoordelijkheden op zich te nemen en kon gaan functioneren als een tot verandering bereid zijnde onderhandelingspartij, in schril contrast met de syndicale tradities in buurlanden als Duitsland, Frankrijk en België. Een land dat streeft naar een hoog innovatietempo zou daaraan een voorsprong moeten kunnen ontlenen.

Desondanks ontstaat daar waar de sociale partners en de overheid elkaar ontmoeten het verwijt van onduidelijkheid, vertraging en besluiteloosheid. Dat verwijt treft niet alleen de sociale partners, maar zeker ook de politiek verantwoordelijken, volksvertegenwoordigers niet minder dan de ministers. Als het primaat van de politiek ergens door bedreigd wordt, dan is het door een gebrek aan bereidheid bij politici om zich te bedienen van de instrumenten die zij hebben om beslissingsprocessen passend te laten verlopen. Passend in de zin van verantwoordelijkheden: er mag en kan geen enkel misverstand bestaan over het ultieme recht van het parlement en regering om onaangename knopen naar eigen goeddunken door te hakken.

Passend ook in de zin van tempo: er is geen enkele reden om in extreme geduldigheid af te wachten totdat welke belangengroep dan ook zijn opvattingen heeft geordend. Als één thema zich opdringt voor de aanstaande verkiezingen, dan is het wel de wenselijkheid van een kordate overheid die openstaat voor de opvattingen van belanghebbenden, maar die uiteindelijk vanuit haar definitie van het algemeen belang knopen doorhakt. Een nieuwe definiëring van die ontmoeting tussen sociale partners en overheid kan dat moderniseren van de besluitvorming helpen, en is daarom gewenst.

De politiek heeft, aanvankelijk onder kabinetten met het CDA maar evenzeer ook in de latere jaren van paars, de poldercultuur gebruikt om de eigen verantwoordelijkheden te ontlopen. Met het eindeloze drama van de WAO voor ogen kunnen we de polder inmiddels als synoniem stellen voor niet of ondoorzichtig beslissen in besloten overleg met lobby's en corporatistische organisaties als boerenbonden bij landbouwproblemen, autolobbyisten bij mobiliteitsvraagstukken, hoofdcommissarissen in het strafrecht, verzekeraars in de gezondheidszorg en de koepels in het onderwijs. Zo bezien is het poldermodel een ziekte die zich veel breder heeft verspreid dan haar oorsprong: het tripartiete overleg tussen overheid, werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers. We zien het resultaat: juist op de terreinen van veiligheid, gezondheidszorg, mobiliteit, onderwijs én arbeidsmarkt is Nederland getroffen door een ernstige vorm van sclerose en sukkelt het inmiddels in de middenmoot of nog lager.

Er zijn eenvoudige medicijnen te bedenken tegen dat verval. De oplossing ligt niet in het torpederen van elke vorm van overleg, maar wel het stellen van duidelijke doelen daarvan, van termijnen en van momenten van besluitvorming. De boodschap moet luiden: ,,Wij, overheid, spreken met u omdat wij uw opvatting graag willen betrekken in onze meningsvorming, maar u moet hem wel geven binnen de gestelde termijn. Daarna nemen wij een beslissing en leggen daar verantwoording voor af, niet aan u maar aan de gekozen volksvertegenwoordiging.''

De SER kan om advies gevraagd worden over sociaal-economische vraagstukken, maar moet dat wel geven binnen de door de politiek gestelde termijn, anders is het jammer. Het voor- en najaarsoverleg dient tot weinig anders dan het instandhouden van een ritueel, dus dat kan beter achterwege blijven. CAO's worden decentraal afgesloten, en daar is iedereen het mee eens. Dus zou de minister van Sociale Zaken er op moeten worden aangesproken dat algemeen verbindend verklaren, waarmee dat decentrale karakter weer teniet wordt gedaan, niet langer vanzelfsprekend is. Vergelijkbare saneringen van de barokke advies- en overlegstructuren in andere maatschappelijke sectoren zijn noodzakelijk.

Naast die verheldering van overlegstructuren moet een kritische herdefiniëring plaatsvinden van het verantwoordelijkheidsgebied van de politiek. Het zou de geloofwaardigheid van de politiek ten goede komen als ook politici zich zouden concentreren op die werkterreinen waar ze echt waarde kunnen toevoegen. Dat is al meer dan genoeg.

Waarvoor acht de overheid zich verantwoordelijk, en wat laat zij over aan de spelers in de samenleving? Dat moet gebeuren zonder de verworvenheden van meer marktwerking en deregulering overboord te gooien, maar met de moed om terug te eisen wat het particuliere domein zelf niet bleek te kunnen bewerkstelligen, zoals bij het openbaar vervoer.

Bovenal moet de politiek de hand in eigen boezem steken. Bestuurders en volksvertegenwoordigers moeten weer die rollen op zich durven nemen die voor hen geschreven waren. Vel oordelen, neem besluiten, leg daar verantwoording voor af in het publieke debat en draag de gevolgen daarvan. Politici mogen best onderhandelen, maar vooral met elkaar. Het is de hoogste tijd dat fors wordt gekapt in het kreupelhout dat de polder dreigt te overwoekeren.

Hans Wijers was minister van Economische Zaken voor D66; Thom de Graaf is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van D66.