Regeringscrisis Estland op ongelukkig moment

Het opstappen van de regering van de Estse premier Mart Laar komt politiek èn economisch niet goed uit.

In de Estse hoofdstad Tallinn stonden de gezichten gisteren niet vrolijk. Premier Mart Laar diende ,,met droefheid'' zijn ontslag en daarmee automatisch dat van zijn twee jaar oude regering in. En president Arnold Rüütel tekende ,,met bezwaard gemoed'' de begroting voor dit jaar. Dat bezwaarde gemoed had betrekking op de kortingen op de financiering van het lokale bestuur waarin de begroting voorziet – Rüütels partij, de Estse Volksunie, heeft haar belangrijkste machtsbasis op het platteland. En tenslotte ketste gisteren definitief het grootste privatiseringsproject sinds de onafhankelijkheid van 1991 af.

Estland beleeft even een machtsvacuüm. Premier Laar kondigde in december zijn aftreden aan: de vertrouwensbasis binnen zijn regerende coalitie was verdwenen. Twee van de drie deelnemende partijen, Laars eigen partij Pro Patria en de Gematigden, konden niet meer door één deur met de Hervormingspartij van Siim Kallas, sinds die in diverse gemeenten een coalitie was aangegaan met de oppositionele Centrumpartij. Nu zijn de programmatische verschillen in de Estse politiek niet zo groot – alle partijen willen een meerpartijensysteem, een vrije markt en het lidmaatschap van de EU en de NAVO, en wel zo snel mogelijk – maar de Centrumpartij, de grootste partij van Estland, is voor de andere grote partijen de bad boy bij uitstek. Dat ligt vooral aan Edgar Savisaar, leider van de Centrumpartij en burgemeester van Tallinn, een populist die zich in het begin van de jaren negentig al – hij was toen kort premier – met zijn onconventionele gedrag onmogelijk heeft gemaakt bij veel van zijn collega's.

President Rüütel heeft na het aftreden van Laar – die doorgaat voor een van de beste hervormers in de landen die uit de voormalige Sovjet-Unie zijn voortgekomen – drie mogelijkheden. Hij kan binnen twee weken een nieuwe premier aanwijzen. Dat zou Savisaar moeten zijn, als leider van de grootste partij in het parlement. Maar het is onwaarschijnlijk dat deze op het verzoek ingaat: het is de vraag of hij een meerderheidsregering kan vormen. Gisteren bood zijn Centrumpartij twee andere partijen, de Volksunie van president Rüütel en de Gematigden, een coalitie aan, die op de steun van 57 van de 101 leden van de Riigikogu, het parlement, zou kunnen rekenen. De Gematigden wimpelden echter onmiddellijk af: ,,De Gematigden en Edgar Savisaar hebben uiteenlopende opvattingen over democratie'', aldus een verklaring. Savisaar reageerde op de afwijzing met het verwijt dat de Gematigden al te lang `satellieten' van Laars Pro Patria zijn geweest.

De tweede optie van de president is de vorming van een minderheidsregering, de derde het uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Beide opties zijn onaantrekkelijk, vooral de laatste. Veel parlementariërs zijn tegen vervroegde verkiezingen omdat ze minder dan drie jaar in het parlement zitten – pas na drie jaar hebben ze aanspraak op een pensioen als volksvertegenwoordiger. Bovendien moeten alle grote partijen vrezen zetels te verliezen aan nieuwe partijen.

De regeringscrisis en het machtsvacuüm komen op een ongelukkig moment, gezien de staat van de economie en het dringende streven lid te worden van de Europese Unie. Onder Mart Laar kon Estland zich er lang op beroepen een van de grote koplopers te zijn onder de kandidaatleden van de EU. Maar die glans verbleekt. Het afgelopen jaar was geen goed jaar. Estland kampt met een werkloosheid van twaalf procent (met tegelijkertijd een nijpend tekort aan hoog opgeleide werknemers) en een inflatie van 5,75 procent. ,,Daarmee halen we de criteria van Maastricht niet'', zo verzuchtte een woordvoerder van een Ests economisch onderzoeksinstituut gisteren. Hij gaf de Estse economie gisteren een rapportcijfer van 6,3; in september kreeg ze nog een rapportcijfer van 7,1. Bovendien verwacht een meerderheid van de Estse experts een verdere achteruitgang in de eerste zes maanden van 2002 – dit hoewel Estland het internationaal, met een groei van vijf procent in 2001, bepaald niet zo slecht doet. Begin vorig jaar was een groei van zes procent verwacht.

Een van de laatste beleidsdaden van de regering-Laar was gisteren de opzegging van de verkoop van de twee belangrijkste Estse (staats)energiebedrijven. Die zouden voor 49 procent in handen komen van het Amerikaanse bedrijf NRG Energy, dat er 70 miljoen dollar voor zou betalen en dat nog eens 300 miljoen dollar zou investeren in de modernisering van de twee bedrijven. Vijf jaar was over de transactie onderhandeld. Maar NRG Energy slaagde er niet in voor de deadline van 31 december 2001 de financiering van de beloofde modernisering rond te krijgen. Hoewel het bedrijf maandag meldde hard aan de financiering te werken, liet de regering zich niet vermurwen en zegde ze gisteren onverbiddelijk de overeenkomst op. Niet tot ieders ongenoegen overigens – mogelijk zelfs niet tot ongenoegen van de regering zelf: de privatiseringsovereenkomst met NRG Energy was in Estland niet populair. Wetenschappers, het bedrijfsleven, veel politici en de media stonden uitgesproken kritisch tegenover de verkoop, onder andere omdat de energieprijzen na de privatisering sterk zouden stijgen. Maar de opzegging betekent wel dat de Esten de modernisering van hun energiesector nu zelf zullen moeten betalen.