Poolse Trovatore valt tussen twee operaculturen

Aan het eind van het Verdi-jaar ter herdenking van zijn honderdste sterfdag op 27 januari 1901 zijn er in ons land nog drie Verdi-voorstellingen. De Nationale Reisopera komt vanaf volgende week met Ernani. En dan zijn er twee producties van Il trovatore, één in de Rotterdamse Ahoy' en een reisvoorstelling van de Staatsopera uit de Poolse stad Bydgoszcz.

De Poolse voorstelling past in het streven van de Nederlandse schouwburgen om de relatief goedkope operavoorstellingen uit het voormalige oostblok artistiek op te waarderen. Zo regisseerde Erik Vos eerder Verdi's Falstaff bij de opera uit het Russische Kazan, waar nu door een Nederlands team wordt gewerkt aan Mozarts Le nozze di Figaro. De Staatsopera uit het Hongaarse Szeged reisde hier onlangs rond met Strauss' Ariadne auf Naxos in een enscenering van Jan Bouws. Voor de Poolse Il trovatore, die dertien voorstellingen in Nederland krijgt, was er een Nederlands ontwerpteam: Frank Raven (decor) en Lia Doornekamp (kostuums). De regie is van de Pool Maciej Korwin.

De Pools-Nederlandse samenwerking levert een voorstelling van Il trovatore op die nu tussen twee operaculturen lijkt te vallen, maar evengoed een westerse operaproductie van dertig tot veertig jaar geleden had kunnen zijn. Wat we zien is `modernisme' van toen. Het is een soort geabstraheerd naturalisme dat destijds heerste van Milaan tot Amsterdam. Maar in het tijdperk van het regisseurstheater is dat door het ontbreken van enige duiding van de handeling inmiddels weer zeer ouderwets. Het decor van Raven bestaat uit een aantal panelen, zetstukken, zwarte torens, cypressen en trappen die voor elke scène anders worden gegroepeerd. De kostuums van Doornekamp zijn eenvoudig en klassiek. De zigeunerin Azucena is fraai uitgedost als het rood oplichtende kampvuur, dat een centrale functie in het verhaal heeft. Het kampvuur zelf blijft hier onaangestoken, al is er bij Di quella pira een paarse belichting zichtbaar.

De stijl van acteren en de manier waarop het koor opkomt en zich op het podium groepeert is naar onze begrippen eveneens zeer gedateerd. Ook is er dat knullig en zeer slap en braaf uitgevoerde `zwaardgevecht' tussen Manrico en Luna, de twee rivalen in de liefde van Leonora die niet weten dat ze elkaars broers zijn. Door de frequente scènewisselingen achter gesloten doek en een hinderlijke tweede pauze vlak na de eerste worden helaas vaart en dramatiek in het anders toch zo verzengende stuk telkens weer steriel gestopt.

Het is de stijl van het ouderwetse logetheater, waarbij de toeschouwers vooral naar de opera gaan om tussen de scènes en in de lange pauzes met elkaar te kletsen. Orkest, dirigent, zangers èn publiek komen er op zo'n manier nooit echt in. De opwindende verdiaanse gloed verschijnt pas in de slotscène, wanneer het zingen echt loskomt. Dan komt ook het antwoord op de bij vele producties van Il trovatore te stellen vraag of de titel wel terecht is gekozen en of die eer niet gegund zou moeten worden aan een van de andere personages dan de tenor-troubadour.

De nogal temperamentloze Luna van de bariton Alfio Grasso komt er niet voor in aanmerking. Ook niet de Azucena van de op zich goed zingende mezzo Agnieszka Zwierko, die voor een furieuze zigeneurmoeder in het nauw toch te weinig diepte en breedte in haar stem heeft. De tenor Miguel Sanchez maakt al evenmin zingend en acterend een voldoende ruim gebruik van de mogelijkheden van de fameuze titelrol. Dus zou deze Il trovatore moeten worden omgedoopt in Leonora. De lichte sopraan Barbara Kubiak kwam gisteravond bij de première wat moeizaam op gang, maar haar personage groeide in de slotscène toch nog uit tot de spil van deze opera.

Voorstelling: Il trovatore van G. Verdi door de Staatsopera Bydgoszcz met wisselende cast. Gezien: 8/1 Lucent Danstheater Den Haag. Herhalingen: 9/1 Den Haag; tournee t/m 2/2. Inl.: (033) 4555656.