Onzin

Wat een onzinnig schilderij, dacht ik, toen ik op tweede kerstdag weer eens oog in oog stond met het doezelig-gebloemde, beige-rood-gele `paneel' van Odilon Redon in het museum in Enschede. Wat een prachtige, ultieme onzin, het is niet eens netjes vol geschilderd, de bloemen liggen verstrooid op het doek, een toef hier, een bloem daar. Maar wat is het mooi! Dat lavendelblauw, dat oranjerood!

Misschien kwam het doordat ik net Diederik Kraaijpoels nieuwste boek aan het lezen was, Reputaties. Het maakte me nog vatbaarder voor het besef: kunst dient geen doel, kunst kan niks verklaren en hoeft zelf niet verklaard te worden. Kunst is er puur voor het genoegen. Niet dat dat zo'n verrassende ontdekking is, maar toch moet je er zo nu en dan aan worden herinnerd. Goede kunst (want nutteloosheid betekent niet dat er geen verschillen zijn) – goede kunst is prachtige, ontroerende onzin. Zoals dat doek van Redon in Enschede, dat trouwens sinds jaar en dag op zijn kant hangt. Verderop in hetzelfde museum staat een kleine rococo-commode, een buikig meubeltje waaraan iemand idioot veel moeite heeft besteed, zodat het een wondertje van gratie werd: ook onzin. Ook prachtig.

Drie dagen later in Kleef (ja, een mens reist wat af in de kerstvakantie) weer zoiets. Een handdoekrekje met tietjes: zestiende-eeuws houtsnijwerk, in kleur. De stok voor de handdoek wordt vastgehouden door een vrouwtje, dat op haar beurt wordt vastgehouden door een mannetje. Zijn handen zitten dicht bij haar geraffineerd halfblote borsten, hun gezichten verliefd tegen elkaar aan. Drie kleine duveltjes herinneren de beschouwer aan de zondigheid van wellust en het belang van schone handen.

Toen we, weer een paar dagen later, in Groningen kwamen om, net als zovelen van u, te gaan kijken naar de tentoonstelling van de Russische schilder Ilja Repin, stond Diederik Kraaijpoel in de eerste zaal, als om ons welkom te heten. Repin, zo begon hij meteen uit te leggen, is eigenlijk net zo'n soort schilder als Jozef Israëls, een tijdgenoot trouwens, alleen veel beter in kleur. (Diederik is een geboren leraar. Hij heeft jarenlang les gegeven op de Groningse kunstacademie Minerva.) Wij vonden Repin stukken beter dan Israëls, vooral zijn portretten. De verlopen kop van Moessorgski doet denken aan Rembrandts Portret van een oude man, waarbij je je afvraagt: wat is er met hem, drank? een attaque? Repins russofiele schilderijen, die pathetische Wolgaslepers bijvoorbeeld, vonden we minder. Maar aan hen is het te danken dat de sovjets Repin in ere, en zijn oeuvre in stand hebben gehouden: nuttige schilderijen dus.

De volgende dag las ik Kraaijpoels Reputaties uit. Het gaat over hoe schilders roem en succes bereiken, of niet, over het subsidiecircuit en het handige van conceptuele kunst. Zo nu en dan vertelt de schrijver hoe het zit met een bepaalde kunstenaar. Hoe het kwam dat Aert van der Neer zo veel moest produceren en waarom zijn schilderijen zo goed zijn. Wat er mis is met het werk van Fernand Léger en waarom linkse intellectuelen toch dol op hem waren. Wat er zo goed is aan een heel stel schilders van wie ik nooit had gehoord, en waarom die Victory Boogie Woogie zo duur was. Opgewekt analyseert hij de kunstmarkt, het vervalserswezen, het idee van het `ware' in de kunst. En door alles heen klinkt de boodschap dat kunst iets plezierigs is. Je kunt er veel of weinig van af weten, al is veel leuker; kunstenaars kunnen slecht zijn of goed, en goed is leuker. Meestal moeten ze hard werken voor een onzeker bestaan. Maar waar het om gaat is, dat het resultaat de kijker bevalt. Kunst heeft geen ander doel, iets wat maar al te vaak wordt vergeten.