Gezapig debat over gen-voedsel

Gezapigheid beheerste het debat over de voor- en nadelen van gemodificeerd voedsel, zo blijkt uit het rapport van de commissie-Terlouw. Het veronderstelde verlangen naar mondigheid blijkt niet aan de burger besteed.

,,Een publiek debat is nooit nutteloos'', staat mistroostig in de conclusies die de commissie-Terlouw vanmiddag presenteert over de publieke steun voor de toepassing van biotechnologie in voedsel. Een publiek debat is, schrijft de commissie,, ,,met al haar beperkingen en tekortkomingen (...) een poging het publiek te geven waar het recht op heeft: behandeld worden als mondige burgers, die inspraak hebben in ontwikkelingen die hen aangaan.''

Men krijgt licht de indruk dat de commissie onder leiding van D66-senator Jan Terlouw het nodig had zich toch nog even moed in te spreken, na een jaar lang een maatschappelijk debat te hebben georganiseerd over een moeilijk onderwerp. Biotechnologie - of, vaker gehoord, genetische modificatie - staat voor de meeste mensen ver weg. Het thema kan vooralsnog niet rekenen op massale angstreacties die bijvoorbeeld in de jaren tachtig het maatschappelijk debat over kernwapens vuur gaf. Terlouw zei het zelf zo, eerder deze week in de Staatscourant: ,,Natuurlijk leeft het niet. De meeste mensen kan het - met permissie – niets schelen.''

Althans, niet in Nederland. Want in landen als Duitsland en Frankrijk is de angst voor het verlies van `natuurlijk' voedsel bij consumenten wel zo groot dat supermarkten genetisch gemodificeerd voedsel maar beter niet in de schappen kunnen leggen. Nederlanders vinden vooral belangrijk dat ze zelf kunnen kiezen, ontdekte de commissie-Terlouw. Ruim 64 procent vindt het van belang dat er ,,zo streng mogelijk'' moet worden geëtiketteerd, zodat de consument ,,er absoluut zeker van kan zijn dat hij geen product koopt dat genetische gemodificeerde stoffen bevat.'' Slechts zes procent is tevreden met hoe het er nu op staat: vaak in kleine lettertjes, en zónder de vermelding ook producten zonder genetische gemodificeerde organismen nog één procent `vervuiling' kunnen hebben, volgens de Europese regels.

Dat ze écht kunnen kiezen, dat vinden Nederlanders dus belangrijk. Maar, schrijft Terlouw, tegelijk ,,geeft vrijwel iedereen toe etiketten op levensmiddelen nauwelijks te lezen''. Verder maken de burgers zich zorgen over de mogelijk gevolgen van voedsel met genetisch gemodificeerde bestanddelen voor de gezondheid, voor de voedselveiligheid, voor onomkeerbare veranderingen in de natuur. Als genetische aanpassing van dieren ter sprake komt, groeit de reserve. Ze vinden in ruime meerderheid, zeventig procent, dat de overheid te weinig vertelt over al die mogelijke gevolgen. Maar tóch vinden ze dat de ontwikkelingen dóór moeten gaan, als de overheid maar goed oplet. De Nederlandse burger vertrouwt erop, meer dan in andere landen, dat de overheid de waarheid vertelt over voedselveiligheid: vijftig procent, tegen bijvoorbeeld veertig in nummer twee Finland, 26 procent in Groot-Brittannië en 14 procent in België.

Misschien verklaart het relatieve vertrouwen van de Nederlanders hun gezapigheid in het debat dat Terlouw organiseerde. Terlouw zelf wijst op de neiging van de burgers de afweging over het nut van toepassingen belangrijker te vinden dan ethische overwegingen voor of tegen. Maar zou het ook aan de opzet van het debat zelf liggen? Terlouw kreeg immers van het kabinet, zijn partijgenoot minister Brinkhorst (Landbouw) voorop, nadrukkelijk de opdracht van het maatschappelijk debat géén gevecht tussen vóór- en tegenstanders te maken.

Meningen moesten worden uitgesplitst, onderbouwd met concrete afwegingen over argumenten voor en tegen. De commissie trok daarom het land in met een lijstje concrete voorbeelden waarbij vaak al `mogelijke' argumenten werden opgegeven. Zo konden mensen hun mening vormen over het vrijwaren van koeien van gekkekoeienziekte BSE door genetische modificatie. Er werd bij vermeld dat dat doel ook bereikt kan worden door koeien geen diermeel te geven. De meerderheid zag niets in genetische modificatie.

Het afgewogen, genuanceerde karakter van het maatschappelijk debat à la Terlouw kreeg veel kritiek. Kritische organisaties als Hivos, Greenpeace en Natuur en Milieu haakten af en organiseerden hun eigen debat. De gespreksronden met geselecteerde `gemiddelde' consumenten, en een informatieboekje dat werd ingestoken in het huisblad van Albert Heijn (Allerhande) droegen bij aan indruk dat de commissie vooral meer begrip moest wekken bij het publiek voor biotechnologische toepassingen.

Daarbij komt nog de haast waarmee het werk geleverd moest worden: eind deze maand debatteert de Tweede Kamer al over de toelaatbaarheid van biotechnologie. Voor die tijd moet het kabinet nog op `Terlouw' reageren.