Europa laat het op veel fronten afweten

De invoering van de euro heeft laten zien dat vooruitgang in Europa wordt bewerkstelligd door economische veranderingen en niet door politieke initiatieven, meent William Pfaff.

De afgelopen weken en helemaal de laatste dagen hebben zich twee ontwikkelingen voorgedaan die van doorslaggevend belang zullen zijn voor de internationale krachtsverhoudingen in de eenentwintigste eeuw.

De eerste bestond uit de spectaculaire militaire successen die geboekt zijn met de Amerikaanse luchtaanvallen op Afghanistan. De aanvallen werden door speciale commando's op de grond gestuurd en dienden ter ondersteuning van plaatselijke strijdkrachten die bereid waren als Amerikaanse hulptroepen op te treden. De Amerikaanse elementen in deze combinatie in de lucht en op de grond zullen beschikbaar blijven, maar de bereidwillige hulptroepen niet, en dat is de zwakte van deze combinatie.

De tweede ontwikkeling was de zeer geslaagde invoering van de nieuwe munt in Europa, de euro. Zelfs de Duitsers, die het verlies van de Deutschmark nog steeds betreuren, waren enthousiast over de introductie. Op de valutamarkten steeg de waarde ervan onmiddellijk ten opzichte van de dollar en de yen.

Het belang van de euro schuilt echter niet zozeer in de grillige markten als wel in de betekenis van het eerste succes voor de toekomst en de vorm van de verdere eenwording van Europa.

`Europa' heeft opnieuw bewezen dat vooruitgang wordt bewerkstelligd door economische veranderingen en niet door politieke initiatieven. Bij de ontwikkeling van Europa gaan economische besluiten en initiatieven steeds aan de politieke gevolgen vooraf. Ze komen zelfs in de plaats van de politiek, zoals waarschijnlijk ook het geval zal blijken bij de euro.

In de weken voor de muntwisseling hebben de lidstaten van de Europese Unie de zwakke rol van de EU op het gebied van de wereldpolitiek en militaire aangelegenheden opnieuw geïllustreerd. De regeringen van de EU en de publieke opinie zijn meer dan ooit gekant tegen het beleid van Israël en de VS ten opzichte van de Palestijnen. Toch is de Europese Unie niet in staat een serieus protest te laten horen nu een eind lijkt te komen aan het politieke proces dat, dankzij de moedige oproep van Noorwegen tot geheime besprekingen tussen Israël en de PLO tien jaar geleden, tot autonomie voor de Palestijnen had moeten leiden.

Washington bleek geen behoefte te hebben aan de gênante wens van Europa een militaire rol te spelen bij de Amerikaanse interventie in Afghanistan. Het verzoek was nagenoeg zinloos en werd grotendeels genegeerd. De hele zaak is door Washington en het Amerikaanse leger afgehandeld.

De solistisch optredende Britse premier Tony Blair maakte onvermoeibaar promotiereizen om steun te werven voor president George W. Bush en enige Europese invloed te krijgen op de beslissingen van Washington. Zijn inspanningen waren politiek welkom maar zijn pogingen invloed uit te oefenen op Washington bleken vergeefs.

De afzonderlijke Europese regeringen spelen nog steeds een belangrijke rol, maar `Europa' is geen factor van belang in internationale politieke en militaire aangelegenheden. Zelfs de plannen van de EU om voor onschuldige vredesmissies een klein leger in het leven te roepen dat snel kan optreden, hebben niets opgeleverd omdat de regeringen niet voldoende fondsen ter beschikking stellen.

Voor de enige twee Europese gevechtsvliegtuigen met een beduidende voorsprong op de Amerikaanse toestellen die op dit moment in gebruik of in productie zijn – de Engels-Duitse Eurofighter en de Franse Rafale – is veel te weinig geld beschikbaar gesteld en de ontwikkeling ervan is zo sterk vertraagd dat het erop lijkt dat Europa zich uit het militaire luchtruim wil terugtrekken.

Ondertussen ontstaat een wankel nieuw evenwicht in de wereld. De Verenigde Staten concentreren zich op militaire macht, politiek leiderschap en de beheersing van de financiële markten. Ook voor 11 september konden ze daarop rekenen, maar de politici en het publiek waren het niet eens over de vraag of deze voordelen moesten worden aangewend om van de Verenigde Staten een informeel imperium of een politieke macht met wereldheerschappij te maken, met alle evidente voordelen van dien, maar ook alle narigheid die ieder land met zulke ambities in de geschiedenis ten deel is gevallen.

Elf september heeft tot een keus gedwongen – althans daar ziet het nu naar uit.

De Europeanen hebben met hun eenwording altijd politieke ambities gehad. Die moesten vooral vorm krijgen in een federatie, een vage term die door de meeste Europese functionarissen liever niet duidelijk wordt gedefinieerd. Er zijn een topfunctionaris voor buitenlandse aangelegenheden en een hoge vertegenwoordiger benoemd voor het Europese buitenlandse beleid. Dat beleid is nooit van de grond gekomen en dat in een EU met meer dan vijftien leden in ieder geval geen schijn van kans zal hebben als het om meer gaat dan pure zelfverdediging.

Maar het economische Europa, het handeldrijvende Europa, het industrieel samenwerkende Europa, het protectionistische en subsidiërende Europa, het Europa van één markt, van één munt, van de culturele uitzondering, van de sociale voorzieningen, van de gezondheidszorg en van de mededingingsautoriteit, het Europa dat zich verzet tegen `dumpen', en tot op zekere hoogte het Europa dat antiglobalisering en anti-Amerika is: dat Europa doet het goed.

Waartoe zal dat leiden in de loop van deze eeuw? De enige rivaal die de Verenigde Staten hebben is Europa. Europa is geen politieke of militaire macht en zal dat ook niet worden. In geval van nood zou het een soort verdedigingscoalitie kunnen vormen. Europa's economische kracht houdt natuurlijk een bepaalde latente militaire macht in, alles bij elkaar groter dan die van de Verenigde Staten. Het is alleen de vraag wat die militaire macht in de komende jaren werkelijk voorstelt.

William Pfaff is columnist.

© Los Angeles Times Syndicate