Dwars door de kunstgeschiedenis

Enkele weken geleden kreeg de Nederlandse kunstenaar Hans van Hoek (Deurne, 1947) in het Singer Museum te Laren de Singerprijs voor tweedimensionale beeldende kunst uitgereikt. Dat de jury juist voor hem had gekozen, is in meerdere opzichten opzienbarend te noemen. In de eerste plaats omdat het de laatste jaren, sinds Van Hoek in 1996 naar Zuid-Afrika emigreerde, opvallend stil was geworden rond zijn persoon. Slechts sporadisch was er werk van Van Hoek in Nederland te zien, al selecteerde Koningin Beatrix in 2000 wel twee van zijn schilderijen voor haar tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Maar de keuze voor Hans van Hoek is vooral opmerkelijk omdat zijn oeuvre nauwelijks tweedimensionaal te noemen is. Wie Van Hoeks overzichtstentoonstelling in het Singer Museum bezoekt, zal zich allereerst verwonderen over de reusachtige lijsten om de schilderijen. Deze zijn gemaakt van massieve blokken hout die soms wel dertig centimeter de museumzaal in steken en die op vernuftige wijze van decoraties voorzien zijn. Van Hoek heeft de lijsten, waar soms hele vogels en bloemen uit ontspruiten, eigenhandig uitgehakt. Hij is beeldhouwer en schilder tegelijk.

De voorstellingen op de doeken zelf zijn minder opvallend. Van Hoek schildert traditionele landschappen, bloemstillevens en religieuze voorstellingen. Het neo-impressionistische landschap Oevers van een kronkelende beek (1986), dat met een lengte van ruim viereneenhalve meter een hele wand in beslag neemt, is opgebouwd uit kleine, beweeglijke verftoetsen die verraden dat de schilder goed naar Cézanne heeft gekeken. Alleen is Van Hoeks kleurenpalet duisterder en monotoner. Aan de onderzijde heeft de kunstenaar de voorstelling met behulp van enkele blauwe kwaststreken door laten lopen op de lijst, om zo duidelijk te maken dat de lijst niet slechts een omhulsel, maar een essentieel onderdeel van de compositie is.

Het werk van Hans van Hoek kreeg internationale bekendheid in de jaren zeventig, toen de expressionistische schilderkunst in Europa opnieuw in de belangstelling kwam te staan. De Nederlander had solotentoonstellingen in het Stedelijk Museum en het Van Abbemuseum en nam deel aan belangrijke evenementen als de Biënnale van Venetië en de Documenta in Kassel. Na een verblijf van zeven jaar in Canada keerde hij in 1977 terug naar zijn geboorteplaats Deurne. Daar trok hij zich terug in zijn boerderij en begon hij vol overgave de omringende natuur te schilderen. Hoe groot zijn respect voor de natuur was, bleek eind jaren zeventig, toen Van Hoek zijn armen en benen vol liet tatoeëren met lotusbloemen, vissen en paradijsvogels.

Inmiddels is zijn werk door de tijdgeest ingehaald. De meeste schilderijen op de tentoonstelling in Laren maken een oubollige indruk. Het schilderij Bloemen met dageraad (1992-1997), van een oplichtende bloemenvaas tegen een diepbruine achtergrond, zou met zijn barokke lijst niet hebben misstaan in een donker achttiende-eeuws interieur. De vluchtig geschilderde Studie naar El Greco, Verrijzenis (1980) is in een bombastische, golvende lijst gevat en zou zo als altaarstuk kunnen dienen. Van Hoek is de aansluiting met de hedendaagse beeldende kunst kwijtgeraakt, maar is zelf waarschijnlijk de laatste die dat zal betreuren.

Problematischer is het dat zijn schilderijen, afgezien van hun waanzinnige lijsten, geen eigen signatuur dragen. De tentoonstelling herbergt een ratjetoe aan stijlen. Zo kan het voorkomen dat een sober, sereen stilleven van een boeddhabeeldje en een ronde vaas (Buddha met vaas, 1998-1999) naast een kitscherige voorstelling van een bos bloemen en een Jezusprentje (Irissen, 1992-1995) is komen te hangen. Het ene moment laat Van Hoek zich leiden door Matisse, Gauguin en Van Gogh, om vervolgens een opeenstapeling van Rubensiaanse lichamen te schilderen. Het is alsof de kunstenaar hink-stapsprong door de kunstgeschiedenis gesneld is. Al moet wel opgemerkt worden dat de twintig schilderijen op de tentoonstelling samen een periode van dertig jaar beslaan en dat Van Hoek bijvoorbeeld drie jaar van zijn leven wijdde aan een studie naar de zestiende-eeuwse schilder El Greco.

Of zijn verhuizing naar Zuid-Afrika zijn werk heeft beïnvloed, is moeilijk te zeggen. Ook de meest recente schilderijen op de tentoonstelling zijn zo uiteenlopend dat het lijkt of ze door verschillende kunstenaars gemaakt zijn. Het werk Kimono met St. Antonius van Padua (1998-2000) is ronduit pathetisch. Hierop staat een heilige afgebeeld die een kindje op zijn schouder draagt en in zijn andere hand een stervormige bloem houdt. De bloemvorm is in veelvoud in de lijst terug te vinden, sierlijk uit het harde hout geponst. Daarbij vergeleken is Van Hoeks nieuwste schilderij De brug (2000-2001) een toonbeeld van eenvoud. Temidden van een egaal vlak met een viezige oranje kleur heeft de kunstenaar een schetsmatige voorstelling van een schilderij van een brug geschilderd. De weelderige lijsten, die Van Hoeks vroegere werken zo dwangmatig in hun greep hadden, zijn nu zelf onderwerp van de compositie geworden.

Tentoonstelling: Hans van Hoek. T/m 24 februari in het Singer Museum, Oude Drift 1, Laren. Di t/m za 11-17u, zo 12-17u. Tel. 035-5393939.