De kentering

Van alle voorspellingen zijn de economische het minst betrouwbaar, hoewel ze, vooral op korte termijn, de grootste invloed kunnen hebben. Dat weten bijvoorbeeld degenen die twee jaar geleden alles op de nieuwe technologie in de communicatie hadden gezet. Herinneren we ons die zonnige periode. In de internationale politiek was geen vuiltje aan de lucht, de Nieuwe Economie was niet te stuiten en de bomen waren gedoemd tot in de hemel te groeien. Dat kon niet blijven duren. De markten raakten verzadigd met de spullen die hun glans verloren, schuchter klonk het woord recessie en toen kwam de elfde september. Mobilisatie en oorlog kunnen een economie uit het slop helpen, zoals in Duitsland in 1933 al is aangetoond. Maar dit leek iets anders: de supermacht in het hart geraakt, een loodzware domper op het hele westen, einde van tien jaar partytime. Ook al is dit enorme machtsblok veel te groot om zich door een paar terroristische aanslagen te laten verslaan, het optimisme van de expansie leek in zijn kern geraakt. De aanval van 9.11, toegevoegd aan de recessie – heb ik ook verondersteld – zou langdurige gevolgen hebben.

De recessie smeult nog verder, vooral in New York waar het Financial District en het toerisme zoveel werkgelegenheid bieden. Maar ook daar vordert het herstel. De teruggang in de werkgelegenheid is tot staan gebracht; de mensen durven weer te vliegen; Hollywood krabbelt overeind. Uit een opinieonderzoek, de Harris Poll, blijkt dat in december 32 procent de economie het belangrijkst vond, en 22 procent het terrorisme. Een maand tevoren was dat nog omgekeerd.

Het is tijd voor nieuwe voorspellingen. De New York Times heeft de beste zieners van Wall Street geraadpleegd. Alle drie zien de zon weer doorbreken, al verschillen ze van mening over de kracht. Vergissen we ons, of wordt ook het vooruitzicht op `een oorlog die jaren kan duren' met zo weinig mogelijk geruis bijgesteld? In dat geval is ook het momentum van de krijgslust verzwakt. Saddam Hussein stond hoog op de agenda, maar hij vervaagt weer. Waarom? Omdat hij minder gevaarlijk is geworden, of omdat president Bush en de zijnen het opbloeiend economisch optimisme niet met een militaire onderneming van onbekende duur en inspanning wil bederven? Niet in het Amerikaanse incasseringsvermogen hebben we ons vergist, maar in het tempo van het herstel. Misschien geldt dat ook wel voor de regering in Washington; misschien verklaart dit de toegenomen voorzichtigheid bij het voeren van de veeljarige oorlog.

Opnieuw heeft Europa hier niets te vertellen. Premier Blair maakt er zelfstandig het beste van, door met zijn pendeldiplomatie tussen India en Pakistan op te treden als een plaatsvervangende Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Een paar leden van de NAVO geven met een relatief bescheiden bijdrage acte de présence. Voor de rest is de verhouding tussen de Atlantische partners tot onverschilligheid genaderd. In Washington heerst de overtuiging dat Amerika het zich kan veroorloven, en de Europeanen, hun volstrekte ondergeschiktheid, en feitelijk ook hun overbodigheid aanvaardend, merken dat het in deze periode na de crisis niet merkbaar anders gaat dan voor de elfde.

In principe is het niets nieuws. Zolang de NAVO bestaat hebben de Amerikanen geklaagd over de mate waarin de Europeanen in de lasten van de militaire inspanning deelden. Sharing the burden was in de Koude Oorlog een vast punt op de agenda van alle conferenties. De Golfoorlog was een overwegend Amerikaanse onderneming. De oorlogen in Joegoslavië zijn een Europese ramp die acht jaar heeft geduurd. De politiek en de legers van ons continent zijn niet in staat geweest de relatief kleine strijdkrachten die bezig waren een natie te verwoesten, te bedwingen. Daarvoor waren de Amerikanen nodig. Europese inspraak werd door het Amerikaanse opperbevel als hinderlijk ervaren.

In zijn verkiezingscampagne heeft George Bush al duidelijk gemaakt, dat onvoorwaardelijke solidariteit met de Europeanen voor hem geen dogma meer zou zijn. Dat heeft hier schrik en verontwaardiging veroorzaakt, maar meer niet. Na de aanval op Amerika heeft hij de lijn niet van richting veranderd, maar scherper getrokken. Dat heeft Osama bin Laden dan in ieder geval bereikt. Amerika en Europa waren al veel langer bezig uit elkaar te drijven. Na de elfde is deze beweging versneld, ondanks de Europese blijken, relatief bewijsjes, van solidariteit.

Daaruit ontstaan een paar vragen. Moet Europa eigenlijk nog wel invloed op Washington willen uitoefenen? Zo ja, waarom? Het antwoord vergt een inventarisatie van de belangen die door de partners of ex-partners worden gedeeld, waar ze zijn verweven, of met elkaar in conflict. Die belangen zijn dan militair of economisch, of wat ook mogelijk is, het militaire en het economische vallen niet te scheiden. Voor wie een poging zal doen, een antwoord te vinden op het waarom van de Europese invloed, opent zich om te beginnen een complex van verwevenheden dat praktisch de hele wereld omvat. Natuurlijk moet Europa invloed in Washington willen.

En daaruit ontstaat dan de volgende vraag. Hoe moet deze invloed vorm krijgen? Op militair gebied kan Europa het afschrijven. Daarvoor zou de Europese Unie eerst een eigen buitenlandse politiek moeten hebben, mèt de bereidheid van de lidstaten om militaire gevolgen te bekostigen. Zo'n politiek bestaat hier niet, laat staan de rest. Logischerwijze blijft dan de economie over.

Deze veeljarige oorlog, als we hem nog zo blijven noemen, heeft uiteindelijk economisch-culturele oorzaken. Die blijven bestaan, ook al zou Osama bin Laden morgen begraven zijn of achter de tralies zitten. In Amerika is een kentering voelbaar: van de buitenlandse fronten af, naar een vrolijker toekomst van de zich herstellende economie. Bush en de zijnen maken, volgens hun oorspronkelijke plan, aanstalten zich weer van de wereld af te keren. Als Europa iets wil betekenen, dan moet het een politiek ontwerpen om in dat tekort te voorzien.