Was hij maar bij haar gebleven

Carthago werd door de Romeinen grondig verwoest. Maar iets van de plaats waar Dido en Aeneas elkaar ontmoetten kun je nog in Tunis terugvinden.

Er zijn allerhande scheidingen tussen mensen mogelijk. Voor de Beatles of voor de Stones? Voor Ajax of voor Feyenoord? Voor Amerika of voor Bin Laden? Zeg het maar, dan delen we de kampen in. Er zijn ook oudere vragen: voor de Grieken of voor de Trojanen? Voor Dido of voor Aeneas?

Behalve voor de Beatles, Ajax en Amerika kies ik ook voor de Trojanen. Echte voelende mensen, niet van die Griekse ruziemakers, bovendien hebben ze niet zoveel kwaad gedaan. Helena ontvoerd, nou en, die wilde toch zelf mee. Steeds hoop ik, de Ilias lezend, dat deze keer Hektor toch Achilles zal verslaan, dat de trotse burcht niet verwoest zal worden, dat dat patsertje van een Odysseus eens in het stof zal bijten. Maar als de Trojaan Aeneas in Vergilius' Aeneis zijn verwoeste stad verlaat om elders een nieuwe stad te gaan stichten, en als hij dan op de Noord-Afrikaanse kust strandt waar de Phoenicische Dido bezig is met het opbouwen van Carthago, en de twee worden verliefd, dan wordt het moeilijk om de Trojaanse sympathie te handhaven. Want Aeneas moet daar blijven. Maar hij gaat weg, om voor zijn vervelende zoontje een mooie toekomst veilig te stellen als grondlegger van het geslacht van de Juliërs, de latere Romeinse keizers. Hij luistert niet eens naar Dido's smeekbeden om uitstel, naar haar wens om tenminste te mogen wennen aan haar lot, waardoor hij zelf bovendien de winterstormen zou vermijden. Hij gaat, zonder een woord van afscheid. En zij stort zich in het zwaard. Op zee zien Aeneas en zijn mannen de vlammen van de brandstapel die de Trojanen `droevige vermoedens' bezorgen. Dat is alles. Daar, ook al is Aeneas duizend keer een Trojaan, verliest hij mijn sympathie. Vóór Dido: ,,Gelukkig zou ik zijn, ach te gelukkig, als mijn kusten maar nooit door die Trojaanse schepen waren aangeraakt!'' Vóór Carthago. Tegen Aeneas, die voor onze ogen van een Trojaan in een Romein verandert. Tegen Rome.

Het vliegveld van Tunis heet `Carthago', wat veelbelovend klinkt, maar verder niets betekent. Een vliegveld in een rommelig buitengebied dat geen enkele associatie opwekt met een oude Phoenicische stad als er überhaupt al iets zou bestaan dat associaties oproept met oude Phoenicische steden. Want hoe zagen die eruit? Wat was Dido eigenlijk aan het bouwen? Vergilius, de Romeinse auteur van de Aeneis waarin de kortstondige en slecht aflopende liefde van Dido en Aeneas beschreven staat, heeft het over een `Juno-tempel' op een groot plein, hij rept van muren en huizen en van havens natuurlijk. Veel beeld roept dat allemaal niet op.

Het moderne Tunis, verdeeld in een nieuwe en een oude stad, met de doolhofgelijke Medina en aantrekkelijke volkswijken als het door de gelijknamige film bekend geworden Halfaouïne, ligt niet zo ver van de plek waar ooit Carthago stond en waar nu buitenwijken, villabuurten en resten opgravingen elkaar afwisselen. Met het treintje dat van het eind van de drukke, centrale Avenue Habib Bourguiba vertrekt, dwars over het meer van Tunis rijdt en daarna de kust volgt, ben je in zo'n twintig minuten op station Carthago Salâmbo.

Die naam roept visioenen op van `de oriënt' zoals Gustave Flaubert die voor zich zag en beschreef in zijn roman Salammbo: woestijnen, warme geuren, angstaanjagende rituelen, bloed en goud, wellust en rijkdom. Maar niets van dat al. Witte huizen in een kalme buitenwijk. In de verte ligt de zee blinkerig onder een wat wittige lucht, de zon schijnt op de goed onderhouden tuinen en muren met tegelpatronen. Wie de straat afdaalt komt na tien minuten bij de ingang van een site archéologique waar een bus toeristen voor blijft staan zonder dat de mensen hoeven uit te stappen een blik door de raampjes en wat welgekozen woorden lijkt hun reisleider voldoende voor wat hier zo goed en zo kwaad als het ging is opgegraven.

Het is ook een merkwaardige oudheid. Eindeloos veel steles, grafzuilen, staan dicht naast elkaar op een stoffig veldje, er zijn wat kuilen gegraven, er staan wat bomen, er zitten drie Tunesiërs te lummelen en te roken. Op veel van de grafstenen staat hetzelfde teken: een driehoek met daarop een dwarsstreep en daarboven een rondje. Het lijkt een vrouw in een lange rok, soms zitten aan de dwarsstreep twee kleine extra streepjes, als handen. Het is het teken van de Phoenicische godin Tanit. Dido kende Juno niet, anders dan Vergilius schrijft. Dido had nog nooit van Romeinse goden gehoord. Die bestonden eenvoudigweg niet.

Gesteld dat Dido een historische figuur is, wat goed kan, haar naam wordt in verschillende oudere bronnen genoemd, en dat ze de stichtster van de stad Carthago was, dan leefde ze aan het eind van de negende eeuw voor het begin van onze jaartelling. Carthago werd in 814 voor Christus gesticht, een al spoedig zeer welvarende Phoenicische kolonie, die de Romeinen steeds meer een doorn in het oog was. Cato sprak zijn beroemde woorden, (die vermoedelijk verzonnen zijn door een 19de-eeuws Duits schoolboek), `Ceterum censeo Carthaginem delendam esse' `Verder ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden' en in 146 voor Christus gebeurde dat ook.

De Romeinen maakten de stad met de grond gelijk. Intussen is deze `tophet' – voormalig Phoenicisch heiligdom – een geheimzinnige plaats. Men weet weinig van wat daar precies gebeurde, maar wel dat de goden Tanit en Baal Hammon er werden vereerd, dat er mensenoffers werden gebracht, en zelfs, zoals opgravingen hebben laten zien, kinderoffers. Op een van de steles is een eenvoudige tekening te zien die heel roerend is: een man met op zijn arm een klein kindje. Een priester denkt men. Met zijn offer.

Als Dido een historische figuur is geweest, dan kunnen we bijna niet genoeg tot ons door laten dringen hoe on-Romeins ze was, hoe níets ze te maken gehad kan hebben met de koningin die Vergilius verzon. Vergilius maakte een vrolijke historische hutspot van verschillende verhalen. Troje, van waaruit Aeneas gevaren kwam, werd ongeveer 1250 voor Christus verwoest, Carthago pas eeuwen later gesticht. Toen Vergilius zijn meesterwerk schreef was de stad al overwonnen, waren de Romeinen zelfs al begonnen met de herbouw ervan voor eigen gebruik. Dat wisten zijn lezers, maar zijn personage Dido niet. Ovidius laat in zijn Heroïdes Dido een brief aan Aeneas schrijven waarin haar trots op de stad doorklinkt en haar ongeloof dat er ooit iets soortgelijks gemaakt zal worden: ,,Iets als Carthago, zul jij nog wel ooit zulk een wereldstad stichten,/ waar je paleis-citadel heerst over heel je gebied?'' Ja, dat zou hij, of in ieder geval de Romeinen die na hem kwamen. Op háár gebied zouden zij een schitterende stad bouwen, ze zouden villa's hebben met grote mozaïekvloeren, ze zouden uitkijken over de Middellandse Zee en van de Afrikaanse weelde genieten, ze zouden zich, meer en langer dan waar ook in het Romeinse rijk, volkomen thuis en volkomen veilig voelen, wijn drinken, jagen, léven. `Isti soli vivunt' , `Alleen zíj leven' zou Augustinus, die geregeld voor kerkelijke zaken Carthago bezocht, over ze zeggen.

De Phoeniciërs leefden daarvoor op die zelfde plaats, en volgens oude verslagen, even plezierig. Ze waren rijk, de grond was vruchtbaar, ze maakten het beroemde Phoenicische purper, ze zeilden als de besten en dreven handel met Griekenland, Klein Azië en de Spaanse kusten. Ze hadden meer kolonies in Noord-Afrika, tot aan Spanje toe. De beeldjes die over zijn, tonen grappige gekleurde gezichtjes met grote ronde ogen, maar ook elegante vrouwen en mannen. Hun gouden oorbellen en kettingen zou je zo willen dragen. Ze brachten Hannibal voort, de veldheer die met zijn olifanten een verpletterende indruk op de Romeinen maakte. Ze bewoonden het roemruchte Carthago.

Van dat Carthago is vrijwel niets over. Een halve eeuw nadat de Romeinen de stad verwoestten, maakten ze een forum op de Byrsa-heuvel en schoven het afgegraven land over de rand. Onder die grond zijn nog wat Phoenicische resten gevonden. Een opgraving die veel fantasievolle inspanning vraagt van de bezoeker, want wat is er weinig. Wat citernes waaraan je kunt zien hoe ze onder de vloeren van de huizen zaten, een watersysteem door de straten. Wat aangetaste zuilachtige steenconstructies. Met leem bestreken muren in de brandende zon, hier en daar uiterst smalle straatjes en poorten. Zwartgeblakerde randen aan de muren van het vuur dat de Romeinen aanstaken om ook de laatste restjes van de gehate stad weg te vagen.

Waar is Dido in die stoffige leegte, op die versleten grove roze mozaïekvloeren?

Op het voormalige Romeinse forum ligt een steen die ons oproept om, hier staande, te denken aan die prinses die ooit, van ver komende, op deze kust landde en er een stad stichtte. Het moet hoog geweest zijn, Carthago, huizen met vele verdiepingen, een labyrintische bouw. Maar waar is het?

Misschien is Carthago niet hier, op de Byrsa-heuvel, te vinden, maar daar in de verte, in Tunis. Volgens degenen die het weten kunnen is er nog altijd iets bewaard van de Phoeniciërs in de houding, kleding, gebruiken en gebaren van de Tunesiërs. En is een bezoek aan de Medina de beste manier om een indruk te krijgen van hoe Carthago misschien was.

Goed. Op zoek naar Dido in de Medina. Met ijzerbeslag versierde deuren, nauwe straatjes, overdekte souks en een krankzinnige drukte. Uit elk winkeltje roept iemand iets lokkends en je kunt er ook van alles krijgen: grote onderbroeken, leren pantoffels, plastic moskeeën, gebreide kamelen, woestijnrozen van zout, gemalen komijn, citroenlimonade, tapijtjes, bruidsuikers, goud, `brik à l'oeuf' (een gefrituurd pasteitje waar een nog vrijwel rauw ei in verstopt zit), ventilators, Tunesische kleren van een soort die niemand aan heeft, vervaarlijk stinkende wierook. `Bonjour' zegt iedereen. `Au revoir' is een goed antwoord voor wie niet zwaar beladen weer uit die straatjes wil opduiken.

Buiten de drukke straten, of in iets minder door de gidsen aangeprezen wijken is het interessanter. Vooral de vele poortjes en overdekte steegjes, de bijna blinde muren met piepkleine raampjes laten iets zien dat misschien wel altijd zo geweest is sinds mensen hier bouwden en woonden. Tunis is een levendige en gastvrije, licht armoedige stad, met plotseling ongeplaveide stoepen, gaterige gebouwen en oude auto's. Een stad waar veel koffie wordt gedronken en waar mannen aan waterpijpen snorkelen. En nee, het heeft niets bedreigends om in deze Arabische stad vol prachtige moskeeën rond te lopen `na 11 september'. Je ziet er verbazingwekkend genoeg veel minder hoofddoeken en djellaba's dan in Amsterdam of Rotterdam, fundamentalisme is er verboden. De mensen zijn veelal mediterraan aardig, lawaaiig en gastvrij, vrijwel alle vrouwen dragen strakke broeken en truitjes, de mannen (er zijn wel ontzáglijk veel mannen in Tunis) lange broeken, overhemden en leren schoenen. Weinig T-shirts en sportschoenen, geen enkele korte broek. De stad is westers en Arabisch tegelijk. En als het over het verleden gaat: het Bardo-museum bezit de grootste collectie Romeinse mozaïeken ter wereld. In Carthago zijn de resten van Romeinse baden en Romeinse villa's te bewonderen. Romeinen alom. Alleen die Phoeniciërs, die zijn in geen velden of wegen meer te zien.

Vergilius wilde de verdwijning van de Phoeniciërs rechtvaardigen. Niet alleen wordt Aeneas gedurig geprezen als een standvastige, plichtsgetrouwe man, ook laat hij Dido Aeneas en zijn nakomelingen vervloeken en laat hij haar uitroepen dat er nooit vrede zal kunnen zijn tussen hun beide volkeren. ,,Ik bid om vijandschap van kust tot kust, van zee tot zee...'' roept de vertwijfelde Dido. Vergilius probeerde zo misschien zijn heldin uit te schakelen en de lezerssympathie weer bij Aeneas te leggen, en er zijn ook zeker lezers geweest bij wie dat lukte. Eeuwenlang is Aeneas een held geweest en Dido een slechte vrouw. Dante laat haar in de hel rondzwieren omdat zij haar hartstochten niet wist te beteugelen, terwijl Aeneas er goed afkomt.

Ach, en zo slecht is Aeneas ook niet. Hij vertrekt omdat de plicht hem roept, en als hij later Dido in de onderwereld ziet, waarin hij levend moet afdalen, is hij wel degelijk ontroerd door haar verschijning. Dan spreekt hij oprechter dan hij bij haar leven heeft gedaan: ,,Was ik de oorzaak van je dood? Ach! Bij de sterren, bij/ de goden zweer ik je, indien mijn woord ook onder aarde/ geloof wekt: ongewild moest ik, mijn koningin, je kust/ verlaten!'' Dido luistert niet, haar verbittering is te groot, al smeekt Aeneas haar en zegt hij: ,,Dit zijn de laatste woorden die het lot ons samen gunt!'' Voorbij.

Aeneas heeft gewonnen, je kunt het in Carthago zien. De Romeinen hebben heel die Phoenicische geschiedenis met die gevluchte prinses, die verlaten koningin, uitgeveegd. Tegelijk hebben hun dichters die geschiedenis bewaard, en van Dido zo'n aangrijpende heldin gemaakt dat ze tot op de dag van vandaag voortleeft. Zou Vergilius er niet geweest zijn dan zouden die piepkleine restjes Phoenicisch Carthago geen belangstelling gewekt hebben, dan zou de naam Dido uit de geschiedenis verdwenen zijn. Nu hebben al eeuwenlang mensen om haar lot gehuild zelfs de strenge Augustinus deed dat, hoezeer hij dat achteraf ook van zichzelf afkeurde.

In Carthago is Dido niet meer te vinden, al is het een bijzondere sensatie om daar te zijn. Dido is een geschreven heldin, een zingende stem, – ,,Remember me, but oh, forget my fate'' laat Henry Purcell haar zingen – de vrouw die gek werd van liefde voor een trouweloze man. We blijven vóór Dido. Maar niet zo erg meer tegen die Romeinen.

Brik

Tunesië is het kleinste land van Noord-Afrika, maar wel vijf keer zo groot als Nederland. Het is nog geen drie uur vliegen, charters gaan direct, ook naar andere plaatsen dan Tunis, lijnvluchten van Air France via een tussenlanding in Parijs. Wie een zaterdagnacht blijft betaalt rond de E250

Vervoer: treinen, bussen of gedeelde taxi. In Tunis-stad rijden trams die metro genoemd worden en die vrijwel niets kosten. Gewone taxi's en bussen zijn ook goedkoop, taxi's hebben een meter die ze aan moeten zetten.

Valuta: Tunesische dinars die alleen in Tunesië zelf te krijgen zijn en ook niet uitgevoerd mogen worden. De koers van één DT ligt bij aankoop rond de E0,75, bij verkoop rond de E0,60, dus het is verstandig niet te veel te wisselen.

Taal: Straatnamen, menukaarten en dergelijke zijn dikwijls in het Arabisch en het Frans, veel mensen spreken ook behoorlijk Frans.

Tunesië heeft een behaaglijk mediterraan klimaat, al kan het er 's zomers in het binnenland erg warm worden, en het staat bekend als vakantieland met mooie stranden (Sousse, het eiland Djerba la Douce). Men kan er ook de woestijn in. Over het algemeen voelen toeristen zich er veilig.

Eten en drinken: In Tunis-stad zijn veel restaurants, maar niet elk restaurant schenkt alcoholische dranken. Op elke menukaart staan `brik au thon' een gefrituurd pasteitje met ei en tonijn, couscous, salade Tunésienne – in kleine stukjes gesneden tomaat, komkommer en ui, dikwijls met tonijn – en salade méchaouine, van fijngesneden geroosterde groenten, ook dikwijls met tonijn. Tonijn uit blik en harissa, een scherpe rode saus van gemalen pepertjes, komen bij vrijwel elke maaltijd op tafel, ook op sandwiches smeert men graag een laagje harissa. Wie naar Tunesië gaat hoeft geen verplichte inentingen te halen. Het wordt afgeraden water uit de kraan te drinken (mineraalwater in flessen is overal verkrijgbaar). Wc-papier is vaak niet voorhanden, wel een slang waar water uit komt.