Schuim waaruit film werd geboren

De eerste moderne Europese film werd gemaakt in Aci Trezza, op Sicilië. Vlak bij de plek waar Odysseus aan de cycloop ontkwam.

Een haven is veilig, een bodem voor je anker, een meerpaal voor je landvast. Je komt er aan, tot je opluchting. Maar blijven doe je niet, wil je niet. In een haven arriveer je om te vertrekken.

Want een haven is vluchtig. Een haven is een plaats voor dromers. Een haven laat de gedachten alle kanten uit vloeien. Eenmaal in de haven verzin je wat er verder mogelijk is, waar je heen kunt, waar je naartoe moet. In de haven van het dorp Aci Trezza ontstond, onder bewaking van de vulkaan de Etna, de eerst moderne Europese film: La terra trema (1948). Luchino Visconti maakte hem naar Giovanni Verga's roman I Malavoglia. Boek en film verhalen van een jonge visser. Hij verzet zich tegen de mafiose tussenhandelaren, begint voor zichzelf en stort zijn hele familie, vader, moeder, broers en zussen, in het ongeluk. Dat betekent dat de moderne Europese cinema werd geboren in een haven en dat zal niet voor niets zijn.

De vissersplaats Aci Trezza ligt aan de oostkust van Sicilië, enkele kilometers ten noorden van Catania. Vlak voor de kust rust een curieus rijtje zwarte eilandjes. Ik kende de spitse topjes uit de film, maar ik was toch niet voorbereid op hun machtige effect. Ze dreigen. Ze dwingen. Ze dwingen hartstocht af voor hun scherpe schoonheid. Ze zijn restanten van oeroude vulkanische activiteit, boven water geperst in de tijd dat de Etna nog onder de zeespiegel uitbarstte. Maar aan die geologische verklaring heeft iedereen lak en ook ik geloof zodra ik ze zie wat ze hier al eeuwen zeggen: dit zijn rotsbrokken waar Homerus over schreef. Versteende stukken blinde woede, achter Odysseus aangesmeten door de cycloop Polyfemos, terwijl hij, wild van de pijn in zijn enige oogkas, stond te razen omdat de Griekse held hem had verblind en nu met zijn makkers ontsnapte. Brullend moet de cycloop met zijn enorme armen die gigantische speervormige keien gegooid hebben. Eén landde een fractie verder naar het noorden – daar heeft Polyfemos de riemen van het schip horen klotsen, het zeil de wind horen vangen van het schip dat ijlings wegvoer.

De cyclopen in deze streek hebben hun ene oog verruild voor aaneengegroeide wenkbrauwen. Ze werden de mannen en jongens van Aci Trezza.

Het heeft de hele nacht geregend. De zwarte rotsen die de cycloop wierp, liggen te glimmen in de ochtendzon die zich door de wolken wringt. Het ruikt zilt, de zee blinkt blauw al neigt hij nog naar zwart. Witte schuimzuilen vallen de hoog-gepunte eilandjes aan.

Een enkele kleine vissersboot keert terug, op de motor, er wordt sinds de jaren zestig niet meer gevaren op de kracht van de ranke zeilen, zoals je die ziet in La terra trema.

Een gepensioneerde visser, zijn nette pak glimt, zijn adamsappel danst op en neer, vertelt dat de mannen van het dorp nog altijd vissen, op inktvis, zwaardvis, ansjovis, tonijn. ,,Maar we varen nu met grote schepen tot aan Griekenland om te vissen. De tijd van La terra trema is voorbij.'' Hij vertelt nog snel een mop over een oud echtpaar dat wellust zoekt bij jonge partners (,,ik vertel namelijk de beste moppen van Aci Trezza''), groet en zeebeent weg.

Het strand waar in de film de kleine vissersboten op het zand werden getrokken, waar de mannen de netten zaten te repareren en waar de vissers in opstand kwamen en hun koperen weegschalen in de deining smeten, is begroeid met dorrend onkruid. De vissersboten liggen iets meer naar het zuiden nu, veilig achter een borstwering, sommige kleintjes op de kiezels, de meeste, groot met brede blauwe achterstevens, dobberen in het water.

Ik klim op de rots die ik ken uit La terra trema. 't Is steil en scherp. Lavasteen is poreus en ziet er zacht uit, maar voor je het weet ligt de hand die steun zocht open. Hier stonden in de vliegende storm de moeder en de zusjes op hun Ntoni te wachten. Ze staarden in de verte, hun benen bloot onder hun zwarte rokken, de wind blies hun sjaals strak om hun lijven. Hun scherpe zwarte gestalten echo's van de cycloop-rotsen.

Het was 1947. De Tweede Wereldoorlog had Italië aan repen gescheurd, nadat Benito Mussolini het land had onderworpen aan een zwartgallige, operateske vorm van het fascisme. Voor zijn tweede film, La terra trema, ging de jonge graaf Luchino Visconti naar Aci Trezza. Hij wilde er een documentaire maken over de wanhopige positie van de vissers, over de mare amaro, de bittere zee. Het werd niets. Tot hij I Malavoglia ging verfilmen, tot hij de werkelijkheid liet barsten aan de naden en de verbeelding toestond erdoorheen te sijpelen. Van beide nam hij het beste, de roman van Verga, de werkelijkheid van Aci Trezza.

Onder me valt de zee aan met bruisend geraas. Uit dit schuim werd de moderne Europese cinema geboren. Hier werd het documentaire op één lijn gebracht met het literaire, hier gingen werkelijkheid en fictie de strijd aan, waarna de Europese film iets deed waar de Amerikaanse altijd voor terugschrok: ze ging balanceren boven de kloof tussen werkelijkheid en fantasie. Ze erkende de beeldende macht van de ontploffing die je krijgt als je besluit fictie en non-fictie in een retort te storten, als je droom en wake in elkaar laat vervloeien zonder aan te geven waar de grens tussen beide ligt.

Een affiche roept de jeugd op mee te praten over de toekomst van Aci Trezza. `Toerisme = werk', staat er. Ik eet pasta alla seppia, spaghetti met inktvisseninkt en krijg zwart beschilderde tanden, zwart afgezette lippen en een zilte zwarte tong.

In Aci Trezza ben ik beland via Cefalù, de zoete kleine stad in het noorden van het eiland die een antieke vissershaven herbergt in een bocht van de zee. Zonder last van eb of vloed kunnen de schepen er direct onder de achtergevels van de huizen op het strand gesleept worden. Zo lagen ze hier 500 jaar terug, zo liggen ze er nog, alleen met minder. Erboven hangt de was te drogen, luierwas naast zwarte weduwenwas. Poorten in de achtergevels geven toegang tot de smalle straten en die stijgen allemaal op naar het vierkante plein waar een Dom van theebeschuit staat. Geen kerk is het, maar een broos fort, met aan weerszijden twee vierkante torens waaromheen zwaluwtjes zwenken, aangetrokken door de gaatjes in de gele steen, waar het goed nestelen is.

Na het peinzende Cefalù en de volle slordige vissershaven van Aci Trezza, waar zelfs cyclopen een realiteit worden, is de haven van het oude Griekse Siracusa een beschaafd museum. Aangelegd aan weerszijden van de brug die de stad verbindt met het vasteland, aan beide zijden twee keurige, golfloze blauwe rechthoeken. Daar liggen schepen weg te sukkelen, aan vier kades met statige vierkante gebouwen uit de negentiende eeuw, meest in geel of oudroze: de kleuren van een ouderwets dagje strand. Siracusa dommelt erachter. Een heer doet een dutje, de rand van zijn borsalino over zijn ogen getrokken.

Gauw rijd ik verder, op weg naar een echte, ruwe haven. In mijn haast snijd ik een stuk af en rijd het achterland in. In de schemer van het eind van de dag leidt de smalle autoweg door de provincieplaats Grammichele. Verbluft trap ik op de rem. Betoverd door de charme van acht enorme dadelpalmen die de acht hoeken van dit plein afbakenen en een kalme pantoffelparade markeren, parkeer ik op de eerste de beste vrije plek die ik zie.

Die plaats is niet voor niets vrij: een carabiniere met veel strepen op zijn uniform, stapt driftig toe. Hoe durf ik mijn auto neer te zetten op een plek die voorbehouden is aan de politie? ,,Neemt u me niet kwalijk, ik stopte omdat ik getroffen werd door dit plein.'' Hij schuift de klep van zijn pet uit zijn ogen, die groen en allervriendelijkst blijken te kijken. O, maar als ik wilde zien hoe mooi het hier is, dan moet ik die auto vooral op deze verboden plek laten staan. Want dan neemt hij me mee het plaatselijke Museo in om mij kennis te laten maken met de geschiedenis van Grammichele. Dit is namelijk de mooiste, meest bijzondere stad van de streek.

De plattegrond van Grammichele toont een wonderbaarlijke, bedachte stad. Beheerst door de achthoek is hij ingedeeld in acht wijken met rechte brede straten en bloksgewijs ingerichte wijken. Die opzet is ingegeven door de aardbeving die in 1693 de hele stad aan puin schudde, vertelt de carabiniere. In deze stad zullen de bewoners altijd kunnen vluchten, niet meer zullen ze verpletterd worden in bochtige steegjes, mocht zich weer zo'n ramp voordoen. En de achthoek is dermate consequent doorgezet dat hij ook de structuur van de kerk en het stadhuis beheerst.

Ik ga pas de volgende dag verder. Naar de streek Caos, waar aan de zuidkust van Sicilië, achter de Oudgriekse stad Agrigento, de industriehaven Porto Empedocle ligt.

,,Massimooo, ti amooo'', luidt in rode hanenpoten een hartenkreet op de kademuur. De verliefde auteur richtte hem vast tot een vissersknecht, want dit is geen haven voor plezierjachten. Het is een achteloos gore kom achter een smalle doorgang naar de zee, en hij wordt voornamelijk bezet door pieremachocheltjes, met een krap stuurhutje bovenop en in elkaar geklitte visnetten in de gangboorden. Hoog in de verte tekenen zich de zuilen en het kapiteel van een Griekse tempel af, maar geen mens hier heeft oog voor die Valle dei Tempi met zijn enorme Oudgriekse tempels. De zee zie je hier niet, maar je hoort hem dreigen en je voelt aan de valwind dat hij op de loer ligt achter de hoge kade en de rij grauwe betonnen gevels van visbedrijfjes.

De Bar del Porto aan de overkant ziet er al even onaantrekkelijk uit. Tenminste, tot je binnenkomt. De stank van olie en rottende vis blijft hangen achter het gordijn van witte en rode plastic kralen. Hier geurt het zoet. De eigenaar is een zware jonge man, die elk ogenblik het staal van toog en koffiemachine glanzend poetst. Hij zit er net een half jaar, vertelt hij. De bar wordt bepaald door drie grote vitrines vol met zoet en hartig gebak. ,,Niks koop ik, ik maak alles zelf''. Hem vragen wat hij aanraadt om te eten, kan je niet doen. Alles is namelijk even lekker, meent hij verontwaardigd. Ik kies voor een stuk quiche met gekruide worstjes en champignons, verslind het en neem vervolgens een luchtig ricotta-cake-je. De man vertelt dat hij dat maakt volgens het recept van een naar Amerika geëmigreerde vriend, ,,daarom noem ik het `americana'.'' Hij verdwijnt de keuken in en komt terug met een hoorntje van bladerdeeg, gevuld met een pudding van ricotta, suiker en vanille. ,,Coda d'aragosta, kijk maar, het lijkt op een staart van de kreeft. Maak ik ook met ricotta. Sicilië, dat ís ricotta, namelijk.'' Lekker is het, zeg ik, heerlijk.

Ineens is het druk. Een zwik vissers drinkt espresso en bier en iedereen smijt achteloos wat gebak in zijn strot. De bakkende bartender zit er niet mee. Hij serveert me nog weer zo'n bladerdeeghoorntje, met een andere versie van de vulling. Deze heet crocetta. Ik lik mijn vingers af. Waar heeft hij dit geleerd? Zijn hese hoge zangstem fluistert. Zijn vader was ook bakker en als kleine jongen hield hij die vader goed in de gaten. Op een school is hij nooit geweest. Goed kunnen kijken, dat heb je nodig. ,,En een wil. En fantasie. Ik werkte vier jaar in de vis, reed met een vrachtwagen door heel Italië, tot Venetië aan toe.'' Hij klopt op zijn buik. ,,Maar ik houd van lekker eten.''

Na een nacht aan de rumoerige haven met visafslag van de stad Sciacca, waar kleurig keramiek langs stoepen en trapjes weigert zich rekenschap te geven van schilfers en bladders aan de muren, bereik ik aan de Siciliaanse westkust een afgevlakt landschap dat wordt bepaald door met okerkleurige dakpannen afgedekte zoutbergen. Daar ligt aan een steiger het pruttelbootje naar Mozia. Mozia is een eilandje van nog geen vierkante kilometer groot. Een archeologische schatkamer waar een versterkte Phoenicische nederzetting is opgegraven. Er is veel te zeggen over dit eiland, bijvoorbeeld over het Oudgriekse beeld dat er werd aangetroffen. Het stelt een meer dan mensgrote wagenmenner voor. Zijn soepele tunica met fijne plooitjes laat je vergeten dat dit marmer is en accentueert nadrukkelijke de curven van de mooiste mannenkont mij bekend. Maar er is ook een kleine in de negende eeuw voor Christus vierkant uitgegraven haven. De wolken en de blauwe hemel spiegelen zich, ijsvogeltjes scheren langs het water en het ruikt er warm en weldadig naar roosmarijn. Niets in deze idylle herinnert aan de Phoeniciërs, een krijgslustig oosters volk dat rijk werd door de exploitatie van de purperslak. Je beseft in deze kleine haven, waar dus ooit oorlogsschepen werden uitgerust, slechts hoe volslagen veranderd de verhoudingen in de wereld zijn.

Het wordt tijd voor het noorden, tijd voor Palermo. Tijd om niet langer de ogen te sluiten voor de weerzinwekkende betonnen kragen waarin vrijwel elke stad en plaats langs de kust wordt verwurgd – het resultaat van mafiose bouwprojecten, die meestal nooit worden voltooid. Beton levert de lelijkste verkrotting op die er bestaat.

`Panormos', zeiden de oude Grieken tegen deze stad, `een en al haven'. Maar die haven ligt niet voor het grijpen en het wordt al donker. Eerst de auto neerzetten aan een klein plein. Vier niet meer zo jonge jongens zijn oneindig behulpzaam met aanwijzingen geven. ,,Hoe lang blijft u staan'', vragen ze. ,,Nou, een paar uur.'' ,,Dat kost dan 15.000 lire'', zegt de grootste plotseling in het Frans. ,,Lijkt me erg duur.'' ,,Goed, 10.000 lire dan. En dan mag u blijven zolang u wilt.'' Even kijken de jongens nobel.

In de Via Vittorio Emmanuele wachten de kappers in de deuropening op klanten. De man die uit eten gaat laat zich eerst scheren. Ik mag kijken. Eerst worden kin en wangen langdurig en dik en diep ingezeept, dan wordt het mes uitgeklapt en aangezet. Snel en secuur gaat de kapper te werk. Met een gevoelige duim en wijsvinger trekt hij de huid van wangen, kin en keel per vierkante centimeter strak. Krab, krab, doet het mes. Het is niet griezelig, verzekert een klant. ,,Je voelt de zekerheid van de kapper, dat is prettig.'' En snijdt hij onverhoeds verkeerd, dan komt hij bliksemsnel in actie. Hij kwast met desinfecterend water, stipt aan met een adstringerend wattenstaafje en wèg is de snee. ,,Er vloeit geen bloed, nooit, het is net of het niet is gebeurd. Zo'n man is een kunstenaar.'' Hij laat ook zijn haar knippen, in de enige coupe die deze kappers doen: het kapsel van Rudolphe Valentino dat van elke man een filmheld maakt. Glad achterover, kippekontje achter, ietsjes bollend bij de haargrens.

Het is zondagmorgen. Langs de muren van de kelders van het Capucijner klooster grijnzen 8.000 gemummificeerde lijken in hun bestofte todden de levende dommeriken na. Buiten, aan de paden van de aan het klooster grenzende dodenstad met familiegraven en hun kleine verzorgde perken, lopen vrouwen in het zwart tussen de echte hoge dennenstammen. De stijve stelen van rode irissen rusten niet tegen hun boezem maar voor in hun armen. Mannen zitten in de zon een krantje te lezen naast de zerken. Ik wandel op met een beminnelijke grijze heer, zijn lakense overjas rust losjes over zijn smalle oude schouders. Hij wijst op een witte marmeren plaat aan de voet van een hoge naaldboom: het graf van Giuseppe Tomasi De Lampedusa, de auteur van de roman De tijgerkat. Wie Sicilië wil begrijpen moet dat boek lezen. En daarna moet hij de verfilming gaan zien, zegt hij. Want weet ik wel dat Luchino Visconti er een film van heeft gemaakt? De heer vertelt hoe hij, ooit de kok van het klooster, werd ingezet als duvelstoejager voor de film, totdat de abt van het klooster Visconti en zijn ploeg eruit gooide: ,,Laten ze Lampedusa maar zoeken waar hij is buiten, op het kerkhof!''

In Palermo zit de haven achter hoge tralies. In de verte zijn de enorme kranen te zien, in de verte wachten de schepen om ontladen te worden. In de verte vliegen de meeuwen, in de verte gebeurt er vast van alles, maar ik mag er niet dichterbij, de man aan de slagboom is onverbiddelijk.

Op het terras van een kroeg met een anker op het raam, die dan ook `Bar dell'Ancora' heet, zitten Finse zeemannen met dichtzakkende oogleden nóg meer bier te drinken. De avond valt als een steen. Ze hebben niks door. Ze scheppen hun eigen dag. Ze doen of het inderhaast aangestoken neonlicht het echte licht is en vragen om een ontbijt.

Voorjaar

Het beste seizoen voor Sicilië is het voorjaar (maart-mei), als de velden en berghellingen vol bloemen staan. In de herfst (september-oktober) is het er ook mooi. In november is het licht het mooist, maar dan vallen er soms buien en het wordt vroeg donker, tegen 17u. 's Zomers begrijp je waarom de Italianen vaak zeggen: ,,Sicilië? Dat is Afrika.'' Het is er dan droog en schroeiend heet.

Sicilië is te bereiken per veerboot uit Reggio di Calabria. Uit Genua en Livorno varen ook schepen, zo'n drie keer per week, uit Napels elke dag. Wie met een camper wil doet er goed aan te informeren naar reserveringsmogelijkheden, bijvoorbeeld bij de Federazione Italiana del Campeggio e del Caravanning in Florence. Tel. 055 882391. Er zijn vliegvelden bij Palermo (noorden), Catania (oosten) en Trapani (westen).

Badplaatsen: de rotsige kust en de vervuilende industrie maken Sicilië weinig aantrekkelijk voor strandgasten. Taormina is een uitzondering, maar het is er erg druk. Trapani heeft een aardig strand, Cefalú en Castellammare del Golfo ook. Ook nabij Sciacca is zandstrand.

Logeren: Wie wil logeren in Aci Trezza kan het best terecht in Albergo i faraglioni. Het hotel ziet eruit als een grote bunker, maar de kamers bieden schitterend uitzicht op de beroemde rotsen. Een goed hotel nabij het strand in Castellammare del Golf is Al Madarig. Een goede betrouwbare reisgids is Baedeker's Sicily.