Meer aandacht nodig voor duurzaam toerisme

Voor de VN is 2002 het Jaar van het Ecotoerisme. Dat moet een aansporing zijn om beter te kijken naar de schaduwkanten van het massatoerisme, meent Hak van Nispen.

Grote delen van Europa liggen bedolven onder de sneeuw, maar op de Vakantiebeurs die vandaag in Utrecht is geopend, overheerst de zon. Vorig jaar trok de beurs 160.000 bezoekers. De organisatoren en de reisbranche verkeerden tot voor kort in spanning over de belangstelling als gevolg van de gebeurtenissen van de 11de september en de huidige economische teruggang. Inmiddels lijkt het ergste leed echter alweer geleden en is de branche optimistisch gestemd over het komend seizoen.

De bezoeker zelf heeft ook dit jaar weer volop keus: honderden standhouders zullen weer laten zien hoe mooi, spannend, cultureel en culinair aantrekkelijk de vakanties zijn die zij aanbieden. Maar wie ook wil weten hoe verantwoord zo'n vakantie is vanuit sociaal of milieu-oogpunt, komt niet aan zijn trekken. Die informatie is nauwelijks voorhanden ondanks het uitroepen door de Verenigde Naties van 2002 tot het Jaar van het Ecotoerisme.

Zo'n VN-jaar komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Het is bedoeld om de aandacht te vestigen op de noodzaak van een meer duurzaam toerisme. Toerisme is al sinds jaren de snelst groeiende economische sector ter wereld en vormt met elf procent van de totale productie aan goederen en diensten de grootste industrie ter wereld. Nu nog bedraagt het aantal vakantiegangers een half miljard per jaar, over tien jaar is dat aantal naar verwachting verdubbeld.

Zo'n massa-industrie veroorzaakt een grote druk op het milieu. Door het vliegverkeer bijvoorbeeld, dat goed is voor twintig procent van alle CO2-uitstoot door de verkeers- en vervoerssector. Maar ook door het enorme waterverbruik, dat op veel plaatsen heeft geleid tot ernstige vormen van verdroging en verzilting. Voorts is sprake van schadelijke invloed op de natuur en het leefklimaat van planten en dieren door de aanleg en het gebruik van skipistes, van wegen en accommodaties. Het toerisme mag dan in veel ontwikkelingslanden voor werkgelegenheid zorgen, maar leidt op veel plaatsen ook tot ontwrichting van de lokale samenleving, terwijl het grootste deel van de winsten weer terugvloeit naar de geïndustrialiseerde landen.

Ook in de toeristenindustrie zelf wordt men zich meer en meer bewust van het feit dat men bezig is de kip met de gouden eieren te slachten. Vandaar dat men op Mallorca de vakantiegangers nu laat meebetalen aan het herstel van de natuur. Vandaar ook dat nogal wat gemeenten in Oostenrijk en Zwitserland de auto buiten de deur houden en door allerlei acties (gratis huur van langlaufski's of goedkoop vervoer van bagage) stimuleren dat de toeristen met de trein komen. In Nederland verplicht de brancheorganisatie ANVR de aangesloten reisondernemingen om vanaf volgend jaar maatregelen te nemen waardoor de aangeboden vakanties en reizen het milieu minder belasten.

Hoewel de gemiddelde Nederlander behoort tot de meest vakantiebeluste wereldburger bestaat hier voor de schaduwzijde van de toerisme-industrie nog te weinig aandacht. En dat geldt dus ook voor alternatieven en voor keurmerken waaraan die alternatieven herkenbaar zijn. Toch zijn die er wel degelijk. Zo is het Nederlands Alpenplatform, een samenwerkingsverband van ANWB, Nederlandse Skivereniging, Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging en de Nederlandse Milieugroep Alpen, bezig met het ontwikkelen van duurzame Alpenvakanties. Het is de bedoeling, dat over een jaar volop gidsen verkrijgbaar zijn met gecertificeerde `groene' vakantiereizen naar de Alpen.

Veel duurzame vakantiebestemmingen in Europa zijn herkenbaar aan een of ander keurmerk, maar dat zijn er inmiddels zoveel dat de vakantieganger door de bomen het bos niet meer ziet. Daarom is gekozen voor een overkoepelend Europees keurmerk onder de naam VISIT. Vanuit Nederland zijn hierbij betrokken de Milieubarometer (voor onder meer milieuvriendelijke campings en groepsaccommodaties) en ECEAT, dat samen met de ANWB de Groene Vakantie Gids Europa uitbrengt.

Het is opmerkelijk dat de Nederlandse overheid zich van dit alles nogal afzijdig lijkt te houden. Dat geldt overigens voor toerisme en recreatie in het algemeen. Ook in de verkiezingsprogramma's van de verschillende politieke partijen zijn dit geen onderwerpen, die men de moeite waard vindt. Toch wordt het hoog tijd dat ook de politiek zijn verantwoordelijkheid neemt.

Al in 1994 pleitte de toenmalige Raad voor Natuurbeheer voor een integraal beleid ter bevordering van duurzaam toerisme, dat onder meer gestalte zou moeten krijgen in de uitwerking van het tweede Nationaal Milieubeleidsplan (NMP 2). Maar meer dan marginale aandacht is er nimmer aan besteed. En ook in de Beleidsbrief Recreatie en Toerisme die de staatssecretarissen van Landbouw en Economische Zaken vorig jaar juli presenteerden, is duurzaam toerisme geen thema.

Dit VN-Jaar van het Ecotoerisme betekent voor de Nederlandse overheid een herkansing. Politieke partijen kunnen in het licht van de verkiezingen alsnog een visie ontwikkelen op de vraag hoe zo'n duurzaam toeristisch beleid eruit zou moeten zien. En voor een volgend kabinet ligt hier de mogelijkheid om zo'n beleid verder te ontwikkelen.

Daarbij gaat het niet alleen om het uitgaande toerisme en het beïnvloeden van de daarmee gepaard gaande mobiliteit. Er liggen ook kansen om in Nederland zelf meer te doen aan het ontwikkelen van duurzame vormen van toerisme en recreatie. Een dergelijke kwaliteitsverbetering kan Nederland ook in de ogen van buitenlandse reisconsumenten een stuk aantrekkelijker maken.

Hak van Nispen is directeur SME MilieuAdviseurs. Dit artikel is mede ondertekend door Gerard van Keulen (Stichting Keurmerk Milieu, Veiligheid en Kwaliteit), Fien Meiresonne (European Centre for Eco Agro Tourism) en Hanno Uitenboogaart (Nederlands Alpen Platform).