Hollandse sporen op een rood eiland

Dit jaar wordt royaal herdacht dat vierhonderd jaar geleden de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgericht. Een van de meer exotische VOC-bestemmingen was Madagascar.

Ogen alleen volstaan niet. Het is vooral zaak om lekker met de vingers te voelen. Pas dan lukt het echt om de in de rots gebeitelde, zeventiende-eeuwse zeemans-graffiti te ontcijferen. Ik ben er, terwijl de in de branding van de Indische Oceaan dobberende kokosnoot tegen mijn kuiten klotst, een dik uur zoet mee. Maar op een gegeven moment is ontegenzeggelijk duidelijk dat de Nederlanders, die deze plek van Madagascar aandeden, ons onder meer het volgende wilden meedelen:

A 1632 7/23

't SCHIP DER VAEREN

GEARRIVEERT

VERTROCKEN 10/21

FREDERICK HA

MEL WTEN

HAECHE CAP

A 1612 S SE

HIER GAEN

SEPTEMBER

MET SCHIP DER GOES

MAG U EN VERTROCKEN

MERMA

FOLCKERT JANSEN

IVAN SWOL

Verder staan in de drie meter hoge rots nog wat losse woordjes, namen en symbolen. In het door hoge bomen gefilterde zonlicht meen ik twee keer het teken van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) te herkennen. Een grote letter V met in de linkerpoot de O en daarnaast de C.

Deze plek, een slordige tienduizend kilometer van Nederland verwijderd, is het decor van een exotisch, praktisch onbekend stuk vaderlandse geschiedenis. Nosy Mangabe heet dit vijf vierkante kilometer grote tropische eilandje dat ligt in de Baai van Antongil aan de noordoostkust van Madagascar. Het is een plek die zeelieden van de VOC waarvan dit jaar de 400ste geboortedag wordt herdacht vanaf hun allereerste expedities hebben bezocht.

De bewerkte rots ligt op een strand dat de vissers, die hier vanuit het kustplaatsje Maroantsetra in hun uitgeholde boomstammen naar toe peddelen, het Hollandse strand (Plage des Hollandais) noemen. Het granieten monument is het enige tastbare en als zodanig herkenbare bewijs van Nederlandse aanwezigheid op Madagascar.

Alleen de echte kenner kan nog meer Hollandse sporen vinden. Mijn gids Makoa Jean voert me via een achter de rots beginnend pad het dichte oerwoud van Nosy Mangabe in. Toen hij met een aantal collega's in 1998 een wandelroute aanlegde door dit tropische bos – een beschermd natuurgebied – ontdekten ze na het afgraven van een laag van vijftig centimeter aarde een stenen trap die Hollandse zeelieden hebben gemaakt. In de modder vond een van de Madagascarezen ook de schede van een zwaard, maar dat blijkt bij navraag door de vinder al weer te zijn weggegooid. Te vies.

Tijdens de boswandeling valt goed te zien waarom Madagascar – zo groot als België en Frankrijk samen – zo'n aantrekkelijke bestemming is. Bijna alle planten en dieren ogen raar en zijn door de afgelegen ligging van Madagascar endemisch, alleen hier te vinden. De lianen zijn zo dik als olifantenpoten. Er loopt een leguaan voorbij met een zojuist gevangen felgroen kikkertje in zijn bek. Op de poep van het wilde varken groeien grijze paddenstoelen. En daar ligt een piepklein uit het nest gevallen blauw gekko-eitje.

Madagascar speelt geen voorname rol in de geschiedenis van de VOC. Op het zogeheten Rode Eiland – naar de kleur van de aarde – is door de Nederlanders bijvoorbeeld nooit een vesting gebouwd. Dat deden de Hollanders wel in het Zuid-Afrikaanse Kaapstad (1652) en in het nabijgelegen, veel kleinere en dus makkelijker te controleren eiland Mauritius (1638). Toch werd Madagascar al vanaf de eerste Hollandse reizen naar Indië bezocht, te beginnen met de expeditie van Cornelius en Frederik de Houtman in 1595. De Hollanders maakten zich er aanvankelijk weinig geliefd, schrijft K. Heeringa in 1896 in een artikel in De Indische Gids, als gevolg van ,,ruwheid en brandstichting''.

Madagascar dient aanvankelijk als verversingsstation op de lange weg naar de Oost. Voor gekleurde stukjes glas, spiegeltjes of stoffen krijgt men van de inlanders vlees, zoet water en fruit. Het eiland is ook begraafplaats voor de zeelieden die tijdens de reis bezwijken aan scheurbuik of dysenterie. ,,Coemiterium Batavorum'', noemt Cornelius van Houtman het eiland: het kerkhof van de Hollanders. De Engelse zeeman James Lancaster, die op eerste kerstdag 1601 met vijf boten de Baai van Antongil bezoekt, maakt ook melding van een rots met inscripties waaruit blijkt dat Hollanders twee maanden voor zijn komst tussen de 150 à 200 mensen hebben begraven.

Madagascar is in de loop van de zeventiende eeuw vooral een slavenstation. Volgens de Leidse historici en Afrika-kenners Stephen Ellis en Robert Ross blijkt uit de archieven dat er tussen 1595 en 1785 zo'n 65 VOC-schepen naar Madagascar reisden om arbeidskrachten te kopen. Er zijn een paar duizend slaven gekocht.

Op het eiland zelf, dat van 1896 tot de onafhankelijkheid in 1960 een Franse kolonie was, is weinig bekend over de activiteiten van de Hollanders. Dat vertelt hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Antananarivo, Gabriel Rantoandro. Hij is de enige Madagascarees die tijdens studies in Indonesië en Parijs zeventiende-eeuws Nederlands heeft leren lezen. Een vaardigheid die goed van pas komt. De nauwkeurige boekhouding die de Hollandse zeelieden bijhielden – de scheepsjournalen en correspondentie met de Heren XVII – is een rijke en exclusieve bron van inlichtingen uit een periode waarin de bewoners van Madagascar nog niets te boek stelden.

,,Dit Eijland, als sijnde een van de grootste die op den aardbodem bekent sijn is seer volk en veerijck, en is tamelijk vrugtbaar. 't Selve is in veel koningrijke verdeelt, welcker vorsten veeltijds teegen malkanderen oorlogen, of in oneenighijd leeven om meester van haar naburen te worden'', aldus een Memorandum uit 1715 opgesteld door VOC-medewerker Hendrik Frappé.

,,De Hollanders schreven werkelijk alles precies op. Ze moesten kennelijk meer dan andere Europeanen verantwoording afleggen aan hun superieuren over wat ze precies uitvoerden en tegenkwamen'', zegt Rantoandro. Hij zit in de bar van het viersterrenhotel Colbert in de hoofdstad Antananarivo. In de lobby hangt een houtsnijwerk dat herinnert aan het Nederlandse verleden. Het tableau toont twee nederzettingen van boshutjes in de Baai van Antongil in 1595. In het onderschrift staat: Le village Hollandais de Spakenbourg et la colonie Portugoise de San Angero.

De bossen zijn weelderig, dik en ontoegankelijk ,,en men mag aannemen dat er wilde dieren leven'', rapporteren de Nederlandse zeelieden over het eiland. En hoewel de natuur op Madagascar door overbevolking (16 miljoen inwoners) en armoede schaamteloos is geplunderd en platgebrand, is deze noordoostkust nog redelijk ongeschonden. Alleen achter de plek van de Hollandse steen is het tropisch regenwoud voor een klein deel aangetast. Er staan wezensvreemde, door de Nederlanders geplante mangobomen.

Nosy Mangabe is onbewoond. Voor de zeer spaarzame toeristen – gemiddeld vier per dag – zijn een paar gammele houten afdakjes gebouwd die als beschutting dienen voor je tent. Om zes uur is het aardedonker. Ik mag mee-eten met Liz en Laura, ecotoeristen uit Kansas City. Bij kaarslicht serveren ze gekookte rijst met bonen en vers geroosterde barracuda's. In de waterval liggen hun goed gekoelde literflessen Three Horses Beer.

Als ik later in mijn tent mijn voorraad bananen tel, schiet mijn verbeeldingskracht te kort als ik me probeer voor te stellen hoe landgenoten hier vierhonderd jaar geleden overleefden. De meeste Hollandse activiteit speelt zich hier af in de jaren veertig van de zeventiende eeuw. Onder het bewind van de Nederlandse gouverneurs van Mauritius – Adriaan van der Stel (1639 - 1645) en Jacob van der Meersch (1645-1648) – worden regelmatig reizen naar de Baai van Antongil gemaakt om slaven te kopen. Die worden tewerkgesteld op Mauritius, Sumatra en in Batavia.

Omdat hij een talent heeft voor ,,lieftallige conversatie'' krijgt Van der Stel van zijn baas in Indië – Antonio van Diemen – in 1642 de opdracht Madagascar aan te doen. Met een voorraad linnen, ijzeren pannen en grof porselein weet hij de inboorlingen voor zich te winnen. Op 8 maart 1642 sluit hij een heus verdrag met ,,de Coninck van Antongil Filu Bucom en zijn hooghgebooren princen''.

In de overeenkomst betonen de inwoners hun exclusieve loyaliteit aan de Staten-Generaal van de Vrije Nederlanden, de vorst van Oranje en de VOC. Het land van Antongil zal tegen binnenlandse en buitenlandse agressie worden beschermd. De Coninck verplicht zich ,,geen slaven, mannen of vrouwen te verkopen of rijst of andere handel'' dan aan de Nederlanders.

De Nederlanders zeggen schriftelijk toe enkele Hollanders hier te laten wonen ,,rijkelijk voorzien van een goede voorraad kleren en allerlei goederen'' om onder meer slaven aan te schaffen. De slaven zullen volgens het verdrag worden gehouden op het eiland Nosy Mangabe. Op die plek is door de Hollanders met palen een palissade aangelegd waarachter de slaven kunnen worden vastgehouden totdat ze door een passerend VOC-schip naar een nieuwe bestemming worden gebracht. De omheining is overigens al lang weggewaaid.

Van der Stel schrijft zijn superieuren dat de lokale vorst geen idee heeft wat hij ondertekent. De volkenrechtelijke overeenkomst dient vooral om andere Europese handelaren duidelijk te maken dat dit Hollands gebied is. Maar armetierig is het wel. Waar de Fransen en Engelsen in het zuiden van Madagascar nederzettingen van meer dan honderd personen bouwen, laten de Hollanders twee matrozen achter. Ze wonen in een loods.

Twee jaar later, op 21 juli 1644, komt Van der Stel kijken hoe zijn landgenoten geboerd hebben. De stationhouder en zijn assistent blijken allebei al meer dan een jaar dood. De koning heeft tot drie keer toe met een partijtje slaven zitten wachten op zijn Hollandse afnemers. In arren moede heeft hij zijn handelswaar vervolgens naar de westkust gebracht om ze aan de Portugezen te verkopen ,,voor kleederen en koeien''.

De Hollanders berichten uitvoerig over de lokale bevolking. Die is arm. ,,De bewoners zijn zo vermagerd dat ze uit niet meer dan huid en botten bestonden.'' Gouverneur Van der Meersch noemt het volk ,,verbeest''. Hij hekelt de gewoonte om kinderen die op woensdag, zaterdag of zondag worden geboren te doden omdat zij ongeluk brengen. Over de vrouwen valt te lezen dat zij ,,uitzonderlijk lelijk'' zijn.

Arm zijn ze hier nog steeds. In de boshutten is geen elektriciteit of stromend water. Alleen de bewoners van de hoofdstad van de regio, Maroantsetra (20.000 inwoners), zijn door de export van vanille nog relatief welvarend. Sommigen rijden rond op een mountainbike en de helft draagt hier schoenen.

De opmerkingen over uiterlijk en gedrag zeggen meer over het racisme of provincialisme van de zeventiende-eeuwse waarnemer. Bij een wandeling door het binnenland zwaai je je arm er bijkans af. Iedereen begroet je. Tientallen kinderen lopen kilometers lang zingend achter je aan en het valt niet mee om ze tevreden te stellen met een aangebroken rolletje Topdrop.

En de vrouwen zijn niet lelijk. In het dorpje Ankofa staat de negentienjarige Nimette voor een rieten hut langs het zandpad. Ze geeft een hand om nooit meer los te laten.

In een enkel Nederlands verslag valt te lezen dat Madagascarese mannen hun vrouwen verbergen voor buitenlanders. De vrouwen die verdacht worden van overspel worden vastgebonden aan een paal en levend verbrand. Ik heb er niets van gemerkt. Geen vriendelijker volk dan de Madagascarezen.

Coco Beach

Het boeken van een vliegreis naar Madagascar is eigenlijk het grootste obstakel. Vanuit Parijs wordt door Air France en Air Madagaskar rechtstreeks naar hoofdstad Antananarivo gevlogen, maar de vraag is groter dan het aanbod. En een ticket kost al snel zo'n 1.400 euro. Via Kenia of Zuid-Afrika vertrekken ook vliegtuigen naar Madagascar, maar dat is duurder.

Eenmaal op Madagascar blijft het verplaatsen een moeilijkheid. Het wegennet is beperkt en zeker in de regentijd gebrekkig. Overal in het land zijn vliegveldjes die met binnenlandse vluchten – mits tijdig geboekt – regelmatig worden aangedaan. De beste tijd om te reizen is september en oktober.

De hoofdstad Antananarivo is door de drukte – ruim een miljoen inwoners – geen plek om lang te blijven. De rest van het land is veel leuker. De natuurparken kunnen alleen worden bezocht in gezelschap van een officiële, doorgaans zeer deskundige en behulpzame gids en na het betalen van bescheiden entreegeld.

De grootste Nederlandse reisorganisatie voor Madagascar is Baobab reizen in Amsterdam (www.baobab.nl). Ook via www.djoser.nl, www.snp.nl, www.summum.nl, www.afriesj.nl of www.tsaratravel.nl kan een reis worden geboekt. Vlieg naar Maroantsetra, de stad waar bootreizen zijn te organiseren naar de natuurparken. Het mooiste, maar enigszins afgelegen hotel heet Le Relais de Masoala. Ook goed is hotel Coco Beach. Schakel eventueel een lokale reisorganisatie in zoals Island Continent Tours en vraag naar de Vlaams sprekende Hely. (e-mail: ictours 00-261-20-22-36979).

Een visum is nodig (consulaat-generaal van Madagascar, Rotterdam). Inentingen en malariapillen zijn vereist. Literatuur: Mervyn Brown: A history of Madagaskar. Annelie Rozeboom: Madagaskar. Arlete Kouwenhoven: Het rode eiland. Lonely Planet: Madagaskar