Het Wak

Hoe betrouwbaar is het geheugen? Zijn herinneringen maakbaar? Ik zie wel eens een B-film die wordt uitgevochten in de rechtszaal. De advocaat van de slechterik ontkent het bestaan van een geheugen à charge. Maar een verleden is er altijd. Meestal bestaat het uit een lijk.

Dagblad De Limburger bracht gisteren op de voorpagina een prachtige kleurenfoto: drie schaatsenrijders op een rij zwierden simultaan over het bevroren oppervlak van de Noordervaart. Het ijs droeg alleen wanneer de snelheid van de schaatsers hoog genoeg lag, zo begreep ik uit het begeleidende artikel.

Een greep uit het geheugen.

Negentienhonderdvijf, -zes, -zevenennegentig. (Wat doet een jaartal er ook toe, het had in elk geval een aantal dagen stevig gevroren. Dat telt.) Daar reed ik met nog iemand die ik toevallig ontmoet had over de Noordervaart in noordelijke richting. De ijsvloer was solide, geen barst sprong erin. Iets voor Beringe sloegen we linksaf. Over de Peelkanalen zouden we pogen Griendsveen te bereiken. (Het ijs op de Peelkanalen is van oudsher berucht om zijn ingevroren veengasbellen, het is bros als piepschuim.) We bereikten Griendsveen zonder problemen. Voor de terugtocht zonnen we op een alternatieve route.

Hij reed voor me. Hij trapte op zeker moment het ijs open en vloog nog net over het wak heen. Ik dook erin ik dook eronder.

Ik bevond me dus onder de ijsvloer. Twee dingen vielen me op. Eén: wat een prachtig diffuus licht heerste er daar beneden, het was een plek om voorgoed te blijven. Twee: een felle levenswil zocht naar de opening van het wak, vond die opening en wist haar met enkele instinctieve zwemslagen van de benen te bereiken.

Ik kwam boven, ik wist me zelfs op eigen kracht uit het wak te hijsen. De situatie op het ijs was werkelijk heel vermakelijk. Ik raakte eigenlijk op slag bevangen van de kou. Ik merkte dat er flink wat bloed uit mijn gezicht begon te zeiken kennelijk was het gezicht, alvorens ten onder te gaan, eerst op de messcherpe ijsrand geslagen. Mijn lijkbleke schaatscompagnon merkte op dat hij me was gaan zoeken indien ik het wak niet uit eigen beweging zou hebben teruggevonden. De bewoonde wereld was minstens acht kilometer ver. Toen zag ik, een meter of vijf van het wak vandaan, mijn ijsmuts als een ingevroren lelie aan de onderkant tegen het ijs geplakt. Die muts maakte het af.

De wonden in het gezicht zijn later keurig gehecht. Nog een paar weken zag ik eruit als iemand die in een café bewerkt was met een kapot geslagen bierglas. Maar niemand wil me geloven als ik over die dag praat als over een geslaagde dag.