Het Heilige Gat van Columbus

Waar zette Columbus voor het eerst voet aan wal? Waarschijnlijk ergens op de Bahama's. Nietwaar, zegt de Dominicaanse republiek. Het was bij óns.

Verdichtsels, halve waarheden, leugens. Bijvoorbeeld aan de ingang van het nationale park La Isabela, waar de overblijfselen staan van de nederzetting die Columbus stichtte op zijn tweede ontdekkingsreis naar het Amerikaanse continent. `Welkom bij het historische La Isabela', leest de bezoeker, `waar de grote admiraal Christoffer Columbus voor het eerst voet aan land zette in Amerika'. Maar dan wel ruim een jaar nadat hij hetzelfde deed op wat nu één van de Bahama-eilanden is.

En dan die kwestie van Columbus' botten. Liggen ze nou echt begraven in dat loden kistje in dat door vier Dominicaanse matrozen bewaakte, neogotische praalgraf in dat monstrueuze mausoleum – annex museum, annex vuurtoren – in een park aan de rand van de hoofdstad Santo Domingo? Of toch ergens in Spanje? Of in Cuba?

Nee, wie correcte voorlichting verlangt en historische zuiverheid eist: hij mijde de Dominicaanse Republiek. Maar wie zin heeft in een verrassende ontdekkingsreis door een geschiedkundige chaos – zijn reisbestemming is juist de Dominicaanse Republiek. Jumboladingen toeristen kennen het land als een bestemming van zon, zee, rum en merengue. Maar dan wel binnen de veilige omheining van het resort waarvoor ze hebben geboekt. Binnen de muren is alles te koop of te huur voor een geslaagde vakantie. Uitstapjes alleen met z'n allen; de happy campers duidelijk herkenbaar aan de kleur van het plastic identificatiebandje om de pols.

We komen in het voetspoor van Columbus af en toe groepjes resortbewoners tegen. Dat voetspoor leidt ruwweg van La Isabela nabij de noordelijke badplaats Puerto Plata tot Santo Domingo in het zuiden, met vertakkingen naar het westen en het oosten, en desgewenst een afslag naar Haïti, het buurland van de Dominicaanse Republiek op het eiland Hispaniola. De avonturier gaat alleen, en zonder polsband, op pad: op zoek naar Hispaniola en zijn bewoners, toen en nu. Columbus had schepen en paarden tot zijn beschikking voor de vier ontdekkingsreizen die hij tussen 1492 en 1504 maakte naar het continent waarvan hij dacht dat het India was. De uit Genua afkomstige zeevaarder kreeg in dienst van het ondernemende Spaanse koningspaar Ferdinand van Aragon en Isabel – la Catolica – van Castilië de gelegenheid een nieuwe route te vinden naar de oost, naar China en Japan, en naar de vermoede oneindige voorraden goud. Met drie karvelen in westelijke richting varend stuitte hij op vrijdag 12 oktober 1492 ergens in de huidige Bahama-archipel op land. De exacte locatie is nooit bekend geworden en allang onderwerp van fel debat tussen `First Landfall'-deskundigen. Die zijn het over één ding wel eens: het was zeker niet de Dominicaanse Republiek. Jammer voor de Dominicanen die de mythe van de primeur krampachtig in stand willen houden. Maar het is een feit dat toen Columbus na de Bahama's en Cuba dan eindelijk op het door hem `Isla Española' gedoopte eiland aankwam, hij landde op de kust van wat nu Haïti is. Daar stichtte hij de eerste Spaanse nederzetting: La Navidad.

Pas op zijn tweede reis naar de west, waaraan hij begon op 25 september 1493 met een vloot van zeventien schepen en meer dan 1.200 man, meerde hij af bij het gedeelte van Hispaniola waar nu de Dominicaanse Republiek is gevestigd. De nederzetting La Navidad bleek door indianen te zijn verwoest en de bewoners gedood. In oostelijke richting varend langs de kust van Hispaniola ontdekte Columbus een baai. Hier stichtte hij op 7 december 1493 de nederzetting La Isabela (vernoemd naar Isabel van Castilië) en van daaruit begon Columbus aan de verdere verkenning van het eiland.

De Eerste Admiraal van de Oceaan, zoals Columbus zich naderhand mocht noemen, had een goed oog voor mooie plekjes. Zijn bescheiden huis in La Isabela had uitzicht op de baai, de monding van een rivier en de zee. Op deze warme novemberochtend, ruim 500 jaar nadat de Spaanse veroveraars er de eerste hoofdstad van hun koloniën vestigden, liggen de overblijfselen van La Isabela er netjes opgeruimd bij. Van wat het huis van Columbus wordt genoemd, zijn alleen de fundamenten over en, opmerkelijk genoeg, een stapel dakpannen. Ook van `de eerste kerk van de Nieuwe Wereld' rest er niets dan fundamenten. Ernaast ligt een kerkhof uit die tijd, waarop eeuwen later witte kruisen zijn gezet. De beheerders van het historisch erfgoed hebben ook een bloemenperkje gezaaid, dat zich laat lezen als de naam `Colon' – Columbus op z'n Spaans. Alles lijkt vals aan La Isabela, een indruk die verder wordt versterkt door het met replica's gevulde museumpje nabij de opgravingen. Door een afschuwelijk misverstand is La Isabela in de jaren dertig van de vorige eeuw bijna geheel in zee gebulldozerd, toen een zenuwachtige burgemeester aan de vooravond van een bezoek aan La Isabela door dictator Trujillo opdracht zou hebben gegeven de historische plek `op te ruimen'.

Niettemin noemt de 78-jarige frater Vicente Rubio, die zich vanuit het in Santo Domingo gevestigde Museo de Casas Reales al een halve eeuw wijdt aan Columbus-onderzoek, uit geschiedkundig oogpunt het nationale park La Isabela de belangrijkste plaats van het land; ,,Daar begon alles.'' Padre Rubio is een onverzettelijk aanhanger van de officiële Dominicaanse Columbus-theorieën. Toch is het park de moeite van het bezoeken waard. Op een half uur rijden van Puerto Plata via prima begaanbare wegen, is het uitzicht er magnifiek. De schaduw van eeuwenoude bomen – die nog oog in oog moeten hebben gestaan met de grote admiraal – biedt een aangename plek voor contemplatie over het lot van de Taino's, de oorspronkelijke bewoners van Hispaniola. Met zwaard en mazelen werden ze even radicaal door de Spanjaarden weggebulldozerd als de overblijfselen van de eerste koloniale hoofdstad.

Tussen La Isabela en de door Columbus' broer Bartholomeus in 1496 gestichte huidige hoofdstad Santo Domingo, lag ooit een reeks van vier fortificaties. Anno 2002 is er weinig meer van over. Hier toont zich een zekere onverschilligheid ten opzichte van de geschiedenis die elders op zo'n geëxalteerde wijze wordt uitgedragen. Even boven de stad Santiago de los Caballeros, op ongeveer vijftig kilometer van La Isabela, liggen in de buurt van het plaatsje Jacagua de resten van een van die fortificaties. Op particulier terrein, en eigenaar noch overheid lijkt veel interesse te hebben in het exposeren ervan. Het schijnt mogelijk te zijn de ruïnes te bezoeken, maar op deze reis lukte dat niet. Nog eens vijftig kilometer zuidelijker, in La Vega Vieja nabij de stad La Vega, staan ook resten Dominicaanse geschiedenis op particulier grondgebied. Hier gaat het onder meer om een stuk muur van een 16de-eeuwse kathedraal (`de eerste van ...'), die nu wordt gebruikt voor de bevestiging van een waslijn waaraan deze ochtend een paar sokken hangt te drogen.

,,Er wordt niets aan gedaan, omdat niemand er persoonlijk baat bij heeft dat er iets aan wordt gedaan. Zo zijn wij hier'', luidde eerder het sombere antwoord van Pablo Hernández op de vraag waarom de Dominicaanse overheid het nationaal erfgoed niet onteigent en met zorg voor het nageslacht bewaart. Hernández, als gids in dienst van de directie nationale parken, leidde ons rond langs de opgravingen van La Vega Vieja (het oude La Vega), op een steenworp afstand van de kathedraal-met-waslijn. Op deze plek staan nog verrassend veel resten van een fort uit de tijd van de veroveraars. Het bijbehorende museum exposeert originele vondsten als aardewerk en gebruiksvoorwerpen van de Taino's, en munten en wapens van de Spaanse kolonisten. In 1562 verwoestte een aardbeving La Vega Vieja, maar in de wijde omgeving moeten nog restanten liggen van wat eens een grote en belangrijke stad was. Het officiële opgravingswerk begon in 1970 en is nog lang niet voltooid. Helaas, zo constateert Hernández spijtig, was er voor die tijd al heel veel geroofd.

Roof is mogelijk ook het lot geweest van het Heilige Kruis, dat Columbus volgens de overlevering in 1495 plantte bovenop Santo Cerro, de Heilige Berg, tegenwoordig een tiental minuten per auto van La Vega Vieja. Vanaf de met fruitbomen, palmen en bougainvillestruiken bezaaide bergtop kun je kilometers ver in de Vallei van Cibao kijken. In de kerk die nu bovenop de Heilige Berg is gebouwd staat dus geen Heilig Kruis. Er is wel het Heilige Gat waarin het Heilige Kruis ooit moet hebben gestaan – ook goed voor een jaarlijkse, drukbezochte bedevaart. Over het door een enkel peertje verlicht gat met een diepte van zo'n 70 centimeter, is een rooster in een houten raamwerk gelegd.

Verreweg de best bewaarde overblijfselen uit de periode van de Spaanse kolonisatie zijn te vinden in de hoofdstad Santo Domingo. Met Christoffel Columbus heeft dat allemaal niet veel te maken. De restanten van diens huis staan aan de oostoever van de rivier de Ozama, waar Santo Domingo aanvankelijk was gevestigd. We moeten bij de bewaker van de broodfabriek Molinos de Ozama een bezoekerspasje halen en mogen dan doorlopen naar de Rosario-kapel die op het fabrieksterrein staat en waaronder de resten zouden liggen van het huis van Columbus. Helaas, de kapel is dicht en de overigens zo bereidwillige gids die ons hier voor 350, nou goed 300 pesos, naar toe leidde, heeft – helaas, helaas, señor – geen speciale toestemming van het ministerie van Cultuur om de kapel binnen te gaan.

Het oorspronkelijke Santo Domingo, nu de schitterende Zona Colonial van de hoofdstad, is vooral het werk van de oudste zoon van Columbus, Diego, en diens tijdgenoten. In een gebied van tienmaal tien straten staan hier – alweer – de eerste kathedraal van de Amerika's, een fort, een klooster, kerken en andere gebouwen uit de 16de eeuw en later. Prachtig onderhouden en vaak open voor het publiek. Op het plein van Parque Colón is een standbeeld van de admiraal, leunend op een meerpaal, de linkerarm gestrekt in de richting van het Amerikaanse vasteland ter hoogte van Florida. Hij is er nooit geweest.

De stoffelijke resten van Columbus liggen in het Faro á Colón – de Vuurtoren voor Columbus. Misschien is het niet de objectieve waarheid, maar het is wel de Dominicaanse waarheid, en een zoektocht naar de voetsporen van Columbus in de Dominicaanse Republiek moet gewoonweg in het Faro eindigen. Al in de jaren twintig van de vorige eeuw spraken afgevaardigden van alle Latijns-Amerikaanse landen met elkaar af dat er in 1992, op de vijfhonderdste verjaardag van de ontdekking van de Amerika's door Columbus, in de Dominicaanse Republiek een groots monument moest komen ter nagedachtenis aan de admiraal. Zeven decennia na het belangwekkende besluit, tientallen rechtse coups en linkse revoluties later, had Latijns Amerika wel iets anders aan het hoofd dan dat monument. Maar dankzij de autocratische, vrijwel blinde toenmalige president van de Dominicaanse Republiek, Joaquín Balaguer, en in weerwil van de torenhoge kosten kwam het er toch. Het is pijnlijk zichtbaar dat inmiddels vele landen in de regio de Dominicaanse versie van de geschiedenis niet accepteren. De aan hen toegewezen expositieruimtes staan leeg – ook die van de Nederlandse Antillen.

's Avonds, terwijl grote delen van Santo Domingo wegens het chronische stroomtekort in het donker zitten, wordt vanuit het monument met lichtbundels een kruis op de wolkenhemel geprojecteerd. Hier geen Heilig Gat, alleen een heilig moeten.

m.m.v. Raymundo González.

Kuilen

Martinair vliegt driemaal per week vanaf Schiphol op Puerto Plata (éénmaal via Santo Domingo). Tarieven vanaf 543 euro, exclusief belastingen en toeslagen. Er zijn ook regelmatige verbindingen via

Madrid (Iberia) en Parijs (Air France). Visum is niet nodig, wel moet bij aankomst een toeristenkaart (US$10) worden gekocht.

In Puerto Plata is buiten de resorts weinig fatsoenlijke hotelaccommodatie beschikbaar. Een goede keuze is guesthouse Portofino, op loopafstand van de boulevard. In Santo Domingo is het wat versleten hotel Hispaniola een mogelijkheid. Aan de Plaza de la Hispanidad zijn diverse restaurants met terras en uitzicht op het 's avonds verlichte Alcázar van (Diego) Columbus.

Bij het huren van een auto altijd een volledige verzekering nemen en het eigen risico afkopen. De hoofdwegen zijn over het algemeen goed, maar grote gaten en diepe kuilen komen voor. Vooral niet in het donker rijden. Rechts inhalen en hard rijden zijn hier de normale praktijk.

Valuta: de Dominicaanse peso. Verwarrend genoeg heeft hij net als de Amerikaanse dollar het $-teken. Koers: ongeveer 17 pesos voor een dollar.Creditkaarten worden geaccepteerd, pinnen is in de grote steden mogelijk. Vaccinatie tegen DTP en Hepatitis-A is raadzaam. Voor een klein gedeelte van het land, aan de grens met Haïti, geldt een malariawaarschuwing.

Taal: In de Dominicaanse Republiek wordt Spaans gesproken. In de toeristencentra ook Engels.