Flexibele oorlog

Staatsman Blair, toch in de regio, was vannacht even op bezoek in Kabul. De opwinding daarover en de wegzakkende euforie over de verdreven Talibaan leiden de aandacht af van het feit dat de Verenigde Staten nog niet klaar zijn met hun strijd in Afghanistan. Gisteren werden de bombardementen in het oosten van het land hervat. Ze zullen doorgaan totdat president Bush zijn doel heeft bereikt. Dat is, naast het ten val brengen van de Talibaan, het elimineren van het Al-Qaeda-netwerk. Zorgwekkend is het aantal burgerslachtoffers van de bombardementen. Die zorg is gedeeld: de VS, de interim-regering in Kabul en de gezant van de Verenigde Naties, Brahimi, voeren overleg over dit onbedoelde drama van de oorlog. Tot onenigheid heeft het nog niet geleid, maar dat maakt de kwestie er niet minder ernstig om. Zorgvuldigheid moet het uitgangspunt van de Amerikaanse operatie blijven.

Het geeft te denken dat de belangrijkste gezochten, Talibaan-leider Mullah Omar en Osama bin Laden, nog niet zijn gevonden – dood of levend. Als ze niet zijn gesneuveld zegt dat iets over hun gevechtscapaciteiten, de loyaliteit van hun aanhangers en hun wil om te overleven. Hoezeer ze hun leiderschap ook hebben misbruikt voor een verwerpelijk doel, hun taaiheid dwingt ontzag af. Ongetwijfeld voedt dit hun charisma en de magie van hun persoonlijkheid. Des te langer het duurt voor ze zijn gepakt, des te groter het probleem voor de Amerikanen is. Osama is in Pakistan; neen, toch in Afghanistan; hij is misschien dood en niemand zal hem vinden; zijn baard is eraf, hij draagt geen tulband meer en is als zakenman vermomd uitgeweken naar Oezbekistan. Als hij al geen mythe was, dan wordt hij dat als voortvluchtige wel. Het is verstandig dat de Amerikanen hun strategie aanpassen. Pak eerst Al-Qaeda aan en dan Bin Laden.

Net voor de jaarwisseling zei president Bush dat 2002 een ,,oorlogsjaar'' zal worden. Dat zijn geen geruststellende woorden voor terroristenleiders. Al is Al-Qaeda nog niet vernietigd, Bush heeft tot nu toe waargemaakt wat hij zei. De Amerikanen zijn kalm, in overleg en met vastberadenheid hun doden, hun aangetaste veiligheid en gekrenkte trots aan het vergelden. Hun acties concentreren zich in Afghanistan, maar de wereld is hun werkterrein. Het oorlogsjaar van Bush zal niet louter gevechtsbeelden opleveren. De strijd speelt zich net zo goed achter de schermen af, in de diplomatie, in de wereld van het geld en die van de inlichtingen. Ook in 2002 zullen de geheime diensten overuren maken.

Een van Bush' prominentste kabinetsleden, minister van Defensie Rumsfeld, een uitgesproken havik – hard, berekenend, veeleisend en op en top vakman – gaf eind vorige week een zeldzaam kijkje in de keuken van de Amerikaanse antiterreurcampagne. De VS moedigen landen als Jemen, Somalië en de Filippijnen aan om een soort gevolmachtigde strijd tegen het terrorisme te voeren. Het vuile werk moet door lokale eenheden worden opgeknapt. Amerika verschaft de wapens, de training en de informatie – en als dank de financiële en economische steun achteraf.

Hoewel details ontbreken, begint langzaam duidelijk te worden dat ook op dit front de VS hun eigen weg gaan en nieuwe wegen vinden om de oorlog voort te zetten. Inderdaad, met andere middelen en met inzet van wisselende coalitiepartners. Het is een flexibele strijd die zich aanpast aan de omstandigheden, aan de vraag en het aanbod; een oorlog à la carte. Net als in Afghanistan gaat het hier om een vorm van oorlogvoering die nog volop in ontwikkeling is. Een draaiboek is er niet. De hoofdrolspelers schrijven dat al doende. Het is het antwoord van de Amerikanen op een ongrijpbare, eveneens flexibele tegenstander die zijn eigen vernietigende spoor heeft getrokken en dat waarschijnlijk zal blijven doen. De partners in de coalitie doen er goed aan alert te zijn en te `presteren'. Washington heeft weinig compassie met kibbelaars en verdeelden.