Renée Fleming is de perfecte showdiva

Toen ze vier seizoenen geleden een recital gaf in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, was de veelgehoorde conclusie dat de Amerikaanse stersopraan Renée Fleming eigenlijk meer in de Grote Zaal thuishoort. Die observatie sloeg niet alleen op Flemings welverdiende reputatie als een van de meest soepele, veelzijdige en warme sopranen van het moment. Ook het krachtig, lyrisch karakter van haar stem bleek gisteravond in staat de Grote Zaal moeiteloos te vullen, zonder dat schaalvergroting leidde tot verlies van intimiteit.

De kracht van Renée Fleming laat zich moeilijk kort omschrijven. Alleen al de laatste jaren bracht zij – naast haar engagementen bij alle grote internationale operahuizen – cd's uit met muziek van Puccini tot Previn. Die veelzijdigheid is veelzeggend voor haar artistiek profiel. Fleming breekt graag en vaak een lans voor eigentijds Amerikaans repertoire, en is op het podium in staat teksten en sferen zowel zingend als acterend tot leven te wekken met woorden, gebaren, kleine zweepslagjes van het strottenhoofd en glissandi met lawinekracht. Fleming is, kortom, een showdiva van het beste soort.

De hoofdmoot van het recital vormden liederen van haar recent uitgebrachte album Night Songs, waarop Fleming – evenals gisteravond live – wordt bijgestaan door pianist Jean-Yves Thibaudet. De samenwerking tussen Thibaudet en Fleming bleek goed voor zeer fijnzinnige dialogen-in-klank, waarbij de kleuren van beide instrumenten in vlekkeloze balans vervloeiden in, bijvoorbeeld, het topzwaar melancholische lied Zing niet, mooi meisje (op.4, nr.4) van Rachmaninov.

Het programma omvatte een zeer bonte compilatie van stijlen, waarbij Fleming na de aartslastige liederen van Joseph Marx (1882-1964) een adempauze was vergund tijdens de door Thibaudet vertellend en contrastrijk gespeelde Tweede ballade van Liszt, die hij begin maart opnieuw speelt op zijn recital in de serie Meesterpianisten. Als tweede intermezzo klonken Debussy's Feu d'artifice en Clair de lune, waarin Thibaudet zoekend, tastend en strelend werkelijk even een mystieke verstilling realiseerde.

Ook Fleming bracht Debussy. Zij vulde de Chansons de Bilitis in met de haar kenmerkende draagkracht door alle registers. Daarmee gaf ze evenredig intens kern aan het zuiverste zacht en het rauwste hard in diepste laagte en op grote hoogte. Het expliciet aanzetten van kernwoorden en het glijden naar hoge noten waren binnen een zo overweldigende vocale context triviale eigenaardigheden.

Fleming en Thibaudet besloten in stijl met een bonte parade van vijf toegiften. Naast Korngold (Mariettas Lied) klonken Rachmaninov (Lentestromen, op. 14, nr. 11), André Previn (Real! Who wants real? uit: A streetcar named desire), Strauss (Morgen) en zelfs Duke Ellington (It don't mean a thing). ,,Een zanger zou eigenlijk het publiek moeten betalen om te mogen zingen in plaats van omgekeerd'', grapte Fleming, waarna de euforie in de vrijwel uitverkochte zaal uitmondde in schorre bravo's van een intensiteit die in het nieuwe jaar moeilijk te evenaren zal zijn.

Concert: Renée Fleming (sopraan) en Jean-Yves Thibaudet (piano). Liederen van Debussy, Marx, Rachmaninov en Strauss. Gehoord: 6/1 Concertgebouw, Amsterdam.