Nieuwe versie van Huisbewaarder mist wanhooop

Als er iets is dat De Huisbewaarder tot een onverwoestbare klassieker heeft gemaakt, moet dat te vinden zijn in het ongrijpbare dat Harold Pinter zijn personages heeft meegegeven: de oude zwerver die in huis wordt gehaald door een jongen aan wie aanvankelijk geen centje kwaad te ontdekken valt, en de broer van die jongen die meteen een agressieve houding aanneemt maar met wie later misschien toch wel redelijk te praten valt. De oude man ziet zijn kans schoon; als hij tegenover elk van die twee de juiste toon weet aan te slaan, heeft hij een dak boven het hoofd. Maar hoe moet hij dat doen, als hij op geen van tweeën vat kan krijgen?

Pinter schokte zijn publiek in 1960, toen The Caretaker ondanks de authentieke straattaal – onafgemaakte zinnen, herhalingen, halve woorden – een stuk zonder houvast bleek te zijn. Die schok is nooit meer te reconstrueren; daarvoor is de schrille buitenwereld inmiddels al te vaak het theater binnengedrongen. En mede dankzij Pinter is intussen ook die ongepolijste taal gemeengoed. Maar dat betekent nog niet dat het stuk zijn kracht heeft verloren. Integendeel: dat geraffineerde spel van de voortdurend verschuivende machtsverhoudingen blijft intrigeren.

Zo heeft De Huisbewaarder ook in Nederland allengs een opvoeringsgeschiedenis van jewelste gekregen, die in 1960 begon met de toneelreus Guus Hermus (bij toneelgroep Ensemble) en die nu een nieuw vervolg heeft gekregen bij Joop van den Ende Theaterproducties – met John Kraaijkamp in de titelrol.

Kraaijkamp is, op het eerste gezicht, een ideale huisbewaarder. Als acteur spreekt hij zoals Pinter schrijft: hij herhaalt, neemt pauzes, draait zinnen om zodat ze hem des te hoekiger uit de mond komen, en peurt maximaal effect uit een minimaal woord. Als raskomediant kan Kraaijkamp bovendien de karigste tekst nog laten tintelen – want natuurlijk is Pinter de man van de beklemming en de onpeilbare eenzaamheid, maar voor een komische zinswending is hij nooit uit de weg gegaan. Niet voor niets is zijn vernieuwing geworteld in het traditionele Engelse komediantentheater.

En toch kostte het me moeite in de ban te raken van deze nieuwe versie. In een schilderachtige uitdragerij, die mij deed denken aan Stiefbeen & Zoon, speelt Kraaijkamp een al even rommelige man met wit piekhaar en een duffels jasje van het Waterlooplein. Hij probeert met beide broers zoete broodjes te bakken, maar kan zelden zijn draai vinden. Hij krijgt hen niet in zijn greep. Maar als hij weer eens halverwege op het verkeerde spoor blijkt te zitten, slaat hij vaak een verongelijkte toon aan. Terwijl hij door Pinter in feite in een positie van doodsnood is geplaatst; zijn strijd om onderdak wordt steeds hopelozer. Kraaijkamp laat die wanhoop niet zien; hij moppert en hij murmelt, hij sjachert en hij kibbelt, maar hartverscheurend wordt hij niet.

Mark Ram komt er, als de eerste broer, dichter bij. Langzaam maar zeker opent hij zijn rol, tot we zeker weten dat hij dat schuurtje in de tuin nooit zal bouwen – zelfs die ene stekker zal hij nimmer repareren. Indrukwekkend vind ik zijn monoloog over de elektroshocks die hij vroeger kreeg, verteld met een verzenuwd soort staccato. Als de tweede broer is Geert Jan Romeijn echter minder dreigend dan ik hem zou willen zien, makkelijker te doorgronden. Als hij bij herhaling de tas van de oude zwerver uit diens handen grijpt, en uit die van zijn broer, is dat eerder een speels kwajongensspelletje dan een teken van ongecontroleerd machismo dat ieder moment tot iets ergers kan leiden.

Het is alsof Berend Boudewijn er in zijn regie wel steeds langs scheert, maar het drama nergens helemaal raakt. Alsof het houvast dat Pinter zijn personages heeft ontzegd, ook in de voorstelling ontbreekt. En daardoor is er tegelijkertijd iets van de spanning weggevallen, iets van het huiveringwekkende dat De Huisbewaarder nog altijd in zich heeft.

Voorstelling: De Huisbewaarder (The Caretaker) van Harold Pinter, door Joop van den Ende Theaterproducties. Spelers: John Kraaijkamp, Geert Jan Romeijn en Mark Ram. Vertaling: Ger Apeldoorn en Harm Edens. Decor: Misjel Vermeiren. Regie: Berend Boudewijn. Gezien: 6/1 in de Stadsschouwburg, Haarlem. Tournee t/m 1/6. Inl. 0900-3005000.