Kakkestoelemeien

Toen in 1995 de spelling werd herzien, werden uit het Groene Boekje zo'n veertienduizend verouderde woorden geschrapt. Een van die woorden was kakkestoelemeien.

Voor wie het niet kent: kakkestoelemeien is een kinderspelletje. Twee volwassenen of grotere kinderen dragen of wiegen een klein kind dat tussen hen in zit, op hun kruiselings ineengehaakte handen. Het kind zit dus op een soort handenstoel, die onze voorouders deed denken aan de kakstoel, een stoel met een gat waar een pot onder stond.

Ik heb drie kinderen, maar ik zie hen nooit kakkestoelemeien en ik ben dat woord in geen eeuwigheid tegengekomen. Daarom vroeg ik onlangs in deze rubriek: leeft kakkestoelemeien nog of is het een historisch woordenboekenwoord geworden?

Voor folkloristen en liefhebbers van oude kinderspelen heb ik goed nieuws, want kakkestoelemeien is alive and kicking. Als spel én als woord, wat overigens minder goed nieuws is voor de samenstellers van het Groene Boekje, want die zijn toch echt te vlot geweest met het snoeimes. Sommige lezers schreven dat er op schoolpleinen nog wel degelijk wordt gekakkestoelemeid, nu, vandaag de dag, door jonge kinderen, en dat ze daar dat woord voor gebruiken. Anderen haalden herinneringen op aan lange strandwandelingen toen zij een stuk door hun ouders werden gekakkestoelemeid.

Maar er bleek nog een heel andere categorie kakkestoelemeiers te bestaan, namelijk bedlegerigen, gehandicapten, mensen met gebroken benen, verzwikte enkels en ander lichamelijk ongemak waardoor ze niet zelfstandig op twee benen kunnen lopen. Een Rotterdamse arts schreef hoe hij familieleden van patiënten in voorkomende gevallen leerde kakkestoelemeien, en een vrouw uit Boxtel, in Noord-Brabant, schreef: ,,Mijn inmiddels overleden, gehandicapte moeder, werd door mijn zus en mij al kakkestoelemaaiend (wij zeiden kakkestoelemaaien, niet -meien) ons huis uitgedragen, omdat ze de trapjes niet goed kon nemen.''

De zusters zongen daarbij steevast het volgende liedje, dat ze kenden van het schoolplein: Kakkestoelemaaien/ de kuster lust gin aaier [eieren]/ wè lust ie dan?/ spek in de pan/ daor wordt de kuster dik van!

Kinderspelen en liedjes, dat is twee handen op één buik, zo bleek ook ditmaal, want andere lezers kwamen met weer andere kakkestoelemeienliedjes. Zoals: Kakkestoelemeie/ als je valt dan leie/ als je valt dan ben je dood/ morgen lig je in de sloot. En: Kakkestoelemeien/ Jantje [of een andere kindernaam] zit te breien/ Jantje zit te kakken/ Onder moeders hakken. Nog een andere variant is: Kakkestoelemeien/ kindje ging uit rijden/ kindje ging naar Amsterdam/ voor een lekkere boterham. Tenslotte: Kakkestoelemeien, het kindje zit te breien, achter aan een tafeltje, bak voor ieder een wafeltje, bak voor ieder een oliekoek, dan zijn alle kindertjes zoet.

En liet men de kakkestoelemeiende kinderen op het laatst vallen, dan zong men: Kakkestoelemeie/ als je valt dan lei je/ op de blauwe keie/ van een, twee, drie

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal was kakkestoelemeien een woord dat aanvankelijk alleen in Noord- en Zuid-Holland werd gebruikt. In 1916 schreef dit wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands: ,,Het heet te Oudenaarde kakkestoelke dragen, te Brugge kakstoeltje-wagenare, in Belgisch-Brabant kakkestoelemenneken, in Holland nagenoeg algemeen kakkestoelemeien en daarnaast te Zwolle kakkemaaiestoelen, in Groningen kakkemanjestoulen en in Oost-Friesland kakkemakkestôleken.''

Nou is het natuurlijk de vraag wat er met al die woorden is gebeurd; of ze nog leven of dat ze er inmiddels stiekem tussenuit zijn geknepen.

Vraag: om een duo te karakteriseren grijpen we vaak terug op populaire figuren uit strips, kinderboeken of films. Voorbeelden zijn: de Dikke en de Dunne, Jut en Jul, Knabbel en Babbel, Bulletje en Boonestaak,

Jansen en Jansen, Jopie Slim en Dikkie Bigmans enzovoorts. Kent u nog meer voorbeelden?

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Voor een samenvatting hiervan zie op vrijdag www.nrc.nl