Gerard Cox

Als zanger van het Nederlandse lichte lied heeft Gerard Cox al herhaaldelijk eer ingelegd met repertoire uit vroeger tijden. Maar hij deed dat nog niet eerder met zoveel hoorbare eerbied als op de cd Wat je zingt, dat ben je zelf... waarop hij uitsluitend wordt begeleid door pianist Erik van der Wurff. Achttien nummers brengen ze ten gehore, die samen bijna een eeuw kleinkunst omvatten – van het honderd jaar oude, maar nog onverminderd felrealistische Werkmanskind van Eduard Jacobs tot de malicieuze ironie van Wim Sonneveld in Lieveling. Cox weet bijna alle woorden een eigen lading te geven – soms zelfs inclusief de authentieke naamvallen – en wordt daarin van harte bijgevallen door Van der Wurff, wiens pianobegeleiding zich vaak losmaakt van de obligate figuurtjes.

Tot de mooiste liedjes van dit onopgesmukte cd-recital behoren het weemoedige Chrisje uit Cox' eigen repertoire en het bittere chanson Het bruidspaar van Jules de Corte, dat nog niets van zijn betekenis heeft verloren. Ze worden hier met even veel toewijding vertolkt als het destijds voor massaconsumptie bedoelde Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur. In de hilarische jaren-vijftig-potpourri die Cox in 1969 samen met Frans Halsema maakte, kwam dat nummer ook al voor – maar toen in een parodistische schooljongensvariant. Nu laat hij de tekst intact.

Gerard Cox en Erik van der Wurff: Wat je zingt, dat ben je zelf... Nikkelen Nelis NN 500.203-2 (Quintessence)