Europese politieke unie moet nu het volgende doel zijn

De komst van de euro als zichtbaar stukje Europa is van groot belang. Maar er is meer nodig. Zonder Europese bewustwording en een hechte politieke unie gaat het niet, meent Mark Eyskens.

De belangrijkste beslissing van de Europese top van Laken op 14, 15 en 16 december was ongetwijfeld de oprichting van een brede Conventie, een assemblee bestaande uit vertegenwoordigers van alle Europese instellingen, en een forum van vertegenwoordigers van de civil society, de sociale partners, de Europese regio's.

Die Conventie is een belangrijk experiment. Hopelijk bereiken de deelnemers niet alleen overeenstemming over de broodnodige institutionele hervormingen van de Europese Unie. Het is ook essentieel dat wordt afgerekend met gemeenplaatsen die welig tieren in Europa, in de media, in de publieke opinie en bij politici.

Een eerste gemeenplaats luidt dat het Europa van vandaag futloos is, dat de dynamiek is stilgevallen en dat de EU absoluut behoefte heeft aan een nieuw en groots toekomstproject. Niets is minder waar. Twee historische gebeurtenissen veranderen de geschiedenis van het avondland, maar ook het persoonlijke leven van elke Europeaan op bijzonder grondige wijze. De euro is er eindelijk in zijn chartale geldvorm en waarschijnlijk zal de Europese Unie uiterlijk in 2004 worden uitgebreid met tien nieuwe lidstaten. Die uitbreiding is overigens niet de laatste. Het hele Europese continent tot aan de Russische grens wordt één en zodoende wordt de bloedige geschiedenis van de twintigste eeuw, de meest smartelijke eeuw aller eeuwen, tussen haakjes geplaatst en afgesloten.

Nauwelijks tien jaren geleden waren beide revolutionaire omwentelingen volkomen ondenkbaar. De Europese burger voelt zich vaak ontredderd en angstig – niet omdat Europa te traag evolueert, maar, in zijn perceptie, te snel en te discontinu evolueert.

Er wordt ook algemeen geklaagd over het democratisch deficit in Europa, ondanks het feit dat de Unie is uitgerust met een Europees Parlement van meer dan 600 vertegenwoordigers en vijftien nationale parlementen die zich steeds meer bezighouden met Europese aangelegenheden. Als men al die democratisch verkozen vertegenwoordigers optelt, komt men tot een massa van 8.000 à 10.000 parlementsleden. Natuurlijk is het Europees Parlement gehandicapt door nog steeds te beperkte bevoegdheden en vooral door het feit dat er geen volwaardige Europese regering bestaat, die voor het Europees Parlement politiek verantwoordelijk zou zijn.

Het bezwaar van het democratisch deficit moet zorgvuldig worden ingeschat, vooral in termen van doelmatigheid. Had men in Frankrijk en in Duitsland in 1950, na de bekendmaking van het plan-Schuman over de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dit geniale project aan de bevolking voorgelegd in een referendum, dan was het ongetwijfeld met klank verworpen door een meerderheid van Duitsers en Fransen. Grote historische doelstellingen moeten door visionaire en moedige politieke leiders worden gerealiseerd, waarbij zij de publieke opinie vaak ex post overtuigen van de noodzaak goed te keuren wat zij hebben verwezenlijkt.

Het is juist dat de Europese instellingen erg technocratisch over komen, dat zij voor het publiek ondoorzichtig zijn en dat de Europese verdragen onleesbaar en onverstaanbaar zijn. Maar dit geldt ook voor het handvest van de Verenigde Naties en voor de zoveelste versie van de Belgische grondwet. De burger in Europa wordt bestuurd door `men', een onpersoonlijk en bijna abstract bewind, zonder gezicht, ook al vertonen de politici zich bijna dagelijks op de televisie. Dat is een nieuwe vorm van vervreemding, die minder te maken heeft met een democratisch deficit dan wel met een deficit in de publieke opinie.

Minder demagogie en meer pedagogie zijn in de politiek op alle niveaus een vereiste voor goede besluitvorming. In ons onderwijs moet van hoog tot laag een leergang `Europa' worden ingelast. En waarom kunnen de vijftien lidstaten er niet voor zorgen dat een gemeenschappelijk televisiekanaal wordt opgezet dat op een onderhoudende wijze de Europese geschiedenis en cultuur, de huidige Europese problemen en de discussies daarover in de Europese instellingen zou duiden en verduidelijken?

Dan is er de algemeen verspreide bewering dat de Europese Unie een gigantische asociale onderneming is geworden. Ongetwijfeld bestaan ook in Europa heel wat sociale wantoestanden, en kan en moet de sociale wetgeving worden bijgesteld, zijn werknemers bijwijlen slachtoffer van de zakelijke hardvochtigheid van bedrijfsleidingen aan de ene kant en worden ondernemingen aan de andere kant in hun overlevingskansen bedreigd door de onredelijkheid van bepaalde syndicale eisen.

Maar beweren dat Europa asociaal zou zijn en dan 100.000 mensen op de been brengen die in Brussel achter die slogan optrekken, berust in het beste geval op een totaal foute inschatting van de feiten en in het slechtste geval op bewuste volksmisleiding. Alle economische studies wijzen erop dat zonder Europese integratie vandaag in West-Europa de levensstandaard ten minste eenderde lager zou liggen, terwijl de koopkracht van de gemiddelde Europeaan juist sedert 1945 is verzesvoudigd, wat in de meeste landen een uitgebreide sociale politiek en sociale zekerheidspolitiek mogelijk gemaakt heeft.

Wanneer men de Europese begroting analyseert, is het evident dat die voor 70 à 80 procent besteed wordt aan sociale uitgaven. Jawel, de Europese begroting gaat voor ongeveer de helft naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar dit landbouwbeleid is erop gericht aan onze landbouwers een sociaal verantwoord inkomen te garanderen door een ingewikkeld mechanisme van richtprijzen, subsidies en heffingen. Zonder dit beleid zouden de Europese boeren hun inkomen met tweederde zien dalen.

De structurele en regionale fondsen, de inspanningen van de Europese Unie inzake ontwikkelingsbeleid, de talrijke initiatieven om het onderwijs te ondersteunen, het wetenschappelijk onderzoek te bevorderen en de contacten tussen Europese studenten te stimuleren hebben allemaal een uitgesproken sociale draagwijdte. Want zonder Europese bemoeiingen zou dit alles alleen zijn gereserveerd voor een kleine, zeer koopkrachtige elite.

Niet het sociaal deficit is Europa's grootste uitdaging. Wel schuilt er in de mentaliteit van heel wat Europeanen een solidariteitsdeficit. Eigenlijk zijn mensen ten aanzien van andere mensen nooit solidair genoeg. Dit geldt voor onze verhouding tot land-, gewest- en gezinsgenoten, maar uiteraard ook ten aanzien van andere Europese volkeren en, daarbuiten, voor alle kansarmen en gewone armen die wij soms onze naasten noemen, maar die in feite onze verwijderden blijven.

De Verklaring van Laken doet het voorkomen alsof de euro en de Economische en Monetaire Unie definitieve verworvenheden zijn. Dit is een uiting van monetaire overmoed. De euro moet dagelijks worden verdedigd door een steeds meer gecoördineerd economisch, fiscaal, sociaal en budgettair beleid, waarbij macro-economische wanverhoudingen meer dan in het verleden door elke lidstaat moeten worden vermeden. Dat geldt vooral voor wat betreft overheids- en betalingsbalanstekorten en prijs- en kostenstijgingen.

Een bekende historische waarheid luidt: op de planeet aarde bestaan staten zonder munt (bijvoorbeeld het Groothertogdom Luxemburg) maar er bestaan geen munten zonder staat of althans zonder interstatelijke verankering. In klare taal betekent dit dat, als de monetaire unie niet wordt gedragen door een hechte politieke unie, de euro een schuchter huisdiertje dreigt te worden. De Verklaring van Laken had van dit axioma uit moeten gaan.

Mark Eyskens is minister van Staat in België.

© De Standaard